ECLI:NL:RVS:2010:BL9302
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ononderbroken verblijf en beoordeling gescheiden verwijdering vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, die het bezwaar van een vreemdeling tegen zijn uitzetting naar China gegrond had verklaard. De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling niet mocht tegenwerpen dat deze sinds 1 april 2001 niet ononderbroken in Nederland verbleef vanwege zijn uitzetting. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de rechtbank ten onrechte dit oordeel heeft gegeven, omdat het oordeel van de rechtbank alleen betrekking had op de wijze van uitzetting en niet op de bevoegdheid tot uitzetting zelf.
De Afdeling overweegt dat de vreemdeling op 27 januari 2004 naar China is uitgezet en dat dit vertrek betekent dat hij niet ononderbroken in Nederland verbleef sinds 1 april 2001. De toestemming tot gescheiden verwijdering ontbeert een deugdelijke motivering, maar dit raakt niet aan de bevoegdheid tot uitzetting. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.