ECLI:NL:RVS:2010:BL9924
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling en voortvarendheid uitzetting
De vreemdeling werd op 19 december 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld en gaf diezelfde dag aan een asielaanvraag te willen indienen, welke hij op 27 december 2009 daadwerkelijk indiende maar aan het einde van het eerste gehoor op 28 december weer introk. De rechtbank had de bewaring opgeheven, stellende dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend was in de uitzetting.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het eerste gehoor op 28 december 2009, gericht op vaststelling van identiteit en reisroute, al een handeling was ter voorbereiding van de uitzetting, zodat het vertrekgesprek op 5 januari 2010 en de lp-aanvraag niet de eerste waren. Hierdoor was er geen sprake van onvoldoende voortvarendheid.
Verder waren de gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van identiteitspapieren en het vermoeden van onttrekking aan uitzetting, niet betwist en rechtvaardigden zij de maatregel. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.