Uitspraak
200602866/1) moet voor de toepasselijkheid van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb de term "van niet-ingrijpende aard" niet alleen in bouwkundige zin, maar ook in stedenbouwkundige zin worden opgevat. Bij dit laatste aspect spelen zowel het planologische als het feitelijke effect dat de ter beoordeling staande verandering op de omgeving heeft een rol. Het uiterlijk van het platte dak van de woning op het perceel ondergaat, gelet op de aard en omvang van het bouwplan, een aanmerkelijke wijziging. Voorts leidt het bouwplan ertoe dat de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte van 12 m wordt overschreden. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat het aanbrengen van de daklantaarn een verandering van niet-ingrijpende aard aan een bestaand bouwwerk als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder k, van het Bblb betreft. Het door de Commissie voor Welstand en Monumenten uitgebrachte advies leidt, anders dan [appellante] betoogt, niet tot een ander oordeel, reeds omdat dit advies onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt past binnen de omgeving.
200900431/1) is het niet onredelijk te achten dat het dagelijks bestuur in het kader van de afweging van de belangen voor de toepassing van de in het bestemmingsplan gegeven vrijstellingsbevoegdheid voor het bouwen van de dakopbouw aansluiting heeft gezocht bij de beleidsregels, in dit geval beleidsregel 3. Anders dan [appellante] betoogt, beperkt de verwijzing naar de beschrijving in hoofdlijnen in de aanhef van artikel 14 van Pro de planvoorschriften de bevoegdheid van het dagelijks bestuur tot het verlenen van vrijstelling niet tot een toets aan die beschrijving in hoofdlijnen. Voor dit geval bevat de beschrijving in hoofdlijnen bovendien nagenoeg geen relevante criteria voor de toepassing ervan. De omstandigheid dat in artikel 14 van Pro de planvoorschriften enkele voorwaarden voor de toepassing van dit artikel zijn opgenomen, leidt, anders dan [appellante] betoogt, evenmin tot het oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij de beleidsregels.
200805740/1) ziet de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van Pro de Awb op bijzondere gevallen die niet in de beleidsregels zijn verdisconteerd. Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.