ECLI:NL:RVS:2010:BM1459
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over intrekking verblijfsvergunning Turkse werknemer met terugwerkende kracht
De zaak betreft de intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een Turkse werknemer, die na verbreking van zijn relatie niet meer voldeed aan de beperkingen waaronder de vergunning was verleend. De vreemdeling had een uitzendovereenkomst gesloten en verrichtte legale arbeid sinds 8 mei 2006. De relatie met zijn partner werd op 2 april 2007 verbroken, waarna de staatssecretaris de verblijfsvergunning per die datum introk.
De vreemdeling stelde dat de intrekking met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, mede gelet op het arrest Altun van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat intrekking wegens frauduleuze handelingen niet met terugwerkende kracht mag plaatsvinden. De Raad van State overwoog dat in deze zaak geen sprake was van frauduleus handelen en dat de vreemdeling niet tijdig had gemeld dat hij niet meer voldeed aan de verblijfsvoorwaarden.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg staat aan een intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning vanaf het moment dat niet langer aan de nationale voorwaarden werd voldaan. De behandeling van het hoger beroep werd geschorst en het Hof van Justitie verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de vraag of artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 dit toestaat.
Uitkomst: De Raad van State verzoekt het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing over de rechtmatigheid van terugwerkende intrekking van een verblijfsvergunning zonder fraude.