ECLI:NL:RVS:2010:BM2261
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling ongewenst verklaard na intrekking verblijfsvergunning en toepassing artikel 13 Besluit nr. 1/80
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, kwam in augustus 2000 Nederland binnen met een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf bij echtgenote'. Deze vergunning werd met terugwerkende kracht per 10 maart 2003 ingetrokken. De vreemdeling werd op 6 januari 2006 ongewenst verklaard door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze ongewenstverklaring gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad beoordeelde of de vreemdeling ten tijde van de ongewenstverklaring onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Pro Besluit nr. 1/80 viel, dat nieuwe beperkingen op toegang tot werkgelegenheid voor Turkse werknemers en hun gezinsleden verbiedt zolang hun verblijf en arbeid legaal zijn.
De Raad stelde vast dat de vreemdeling sinds 10 maart 2003 geen rechtmatig verblijf meer had en daarmee niet meer onder artikel 13 viel Pro. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de grief van de staatssecretaris slaagde. Daarnaast faalde het beroep van de vreemdeling dat de ongewenstverklaring zijn recht op gezinsleven schond, omdat hij geen contact had met zijn zoon en geen gezinsleven bestond.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat hij ten tijde van de ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf had en artikel 13 van Besluit nr. 1/80 niet op hem van toepassing was.