Uitspraak
200901881/1/R2volgt uit de wetsgeschiedenis van de wijziging van de Monumentenwet 1988 en enkele andere wetten ten behoeve van de archeologische monumentenzorg dat het bestemmingsplan en de daarin gestelde eisen en voorschriften de basis vormen voor de behartiging van het (gemeentelijke) archeologische belang en dat het college in het kader van de goedkeuringsprocedure van een bestemmingsplan niet alleen bevoegd, maar ook verplicht is een inhoudelijk oordeel te geven over een planvoorschrift waarin een oppervlaktemaat is opgenomen die afwijkt van de in artikel 41a van de Monumentenwet 1988 genoemde oppervlaktemaat van 100 m2. Daarbij is niet van belang of het college het gebied al dan niet heeft aangewezen als attentiegebied als bedoeld in artikel 44 van Pro die wet.
200801932/1/R1inzake bestemmingsplan "Landelijk Gebied Westvoorne" heeft de Afdeling beslist omtrent de beroepen van onder meer [appellant sub 2] tegen het besluit omtrent goedkeuring van dat bestemmingsplan en dat plan en de goedkeuring daarvan op hoofdlijnen in stand gelaten. Daaruit volgt dat die besluiten niet onrechtmatig tot stand zijn gekomen. Voorts waren de raad en het college, anders dan [appellant sub 2] betoogt, niet onbevoegd een partiële herziening van dat plan vast te stellen en omtrent de goedkeuring daarvan te beslissen, hoewel op de rechtsmiddelen die [appellant sub 2] tegen het besluit omtrent goedkeuring van dat plan had aangewend, nog niet was beslist. Geen rechtsregel staat eraan in de weg dat een partiële herziening van een bestemmingsplan wordt vastgesteld en wordt goedgekeurd gedurende de tijd dat het plan waarvan het een herziening is, weliswaar is goedgekeurd maar nog niet in werking is getreden of onherroepelijk is geworden.