ECLI:NL:RVS:2010:BM3077
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Voortzetting vreemdelingenbewaring na 14 maanden gegrond ondanks belangenafweging
De vreemdeling was ongewenst verklaard en had de rechtsplicht Nederland te verlaten. Ondanks diverse gesprekken weigerde hij mee te werken aan terugkeer en het verstrekken van documenten die zijn identiteit en nationaliteit konden aantonen. De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring zwaarder woog dan dat van de minister.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdeling ook strafrechtelijk was gedetineerd en dat de bewaring gerechtvaardigd bleef vanwege zijn criminele antecedenten, frustratie van het uitzettingsonderzoek en lopende procedures voor een laissez passer. De Raad voor de Rechtspraak overwoog dat de periode van strafrechtelijke detentie meegewogen moest worden en dat de belangenafweging door de rechtbank onjuist was.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. De bewaring mocht voortduren omdat de vreemdeling niet meewerkte, de uitzetting nog steeds mogelijk was en de minister zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen. Een verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De voortzetting van de vreemdelingenbewaring na 14 maanden werd gerechtvaardigd geacht en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.