ECLI:NL:RVS:2010:BM4479

Raad van State

Datum uitspraak
6 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201004097/2/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:55 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat IZZ Zorgverzekeraar geen bestuursorgaan is en weigering vergoeding geneesmiddel niet-bestuursrechtelijk

De zaak betreft het geschil over de vergoeding van het geneesmiddel Vivalan door IZZ Zorgverzekeraar aan appellante. IZZ had aanvankelijk vergoeding toegezegd voor de periode tot 31 maart 2006, later verlengd tot 31 december 2006, maar weigerde daarna verdere vergoeding.

Appellante startte een bestuursrechtelijke procedure tegen deze weigering, maar de rechtbank Arnhem verklaarde zich onbevoegd omdat IZZ geen bestuursorgaan is. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en verklaarde zich eveneens onbevoegd. Het hoger beroep bij de Raad van State werd vervolgens ingediend.

De Raad van State oordeelt dat IZZ niet kan worden aangemerkt als bestuursorgaan zoals bedoeld in de Awb, zodat het besluit van IZZ geen bestuursrechtelijk besluit is. De Afdeling bevestigt de eerdere uitspraken en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond.

Verder wordt geoordeeld dat ondanks de lange duur van de procedure geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat appellante er rekening mee moest houden dat de bestuursrechtelijke procedure weinig kans van slagen had. Er wordt geen schadevergoeding toegekend en geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitspraak

201004097/2/H2.
Datum uitspraak: 6 mei 2010
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: [appellante]), wonend te [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) van 2 maart 2007 in zaak nr. 06/3148 in het geding tussen:
[appellante]
en
IZZ Zorgverzekeraar nv (hierna: IZZ).
1. Procesverloop
Bij brief van 22 februari 2006 heeft IZZ aan [appellante] medegedeeld dat het geneesmiddel Vivalan aan haar zal worden vergoed over de periode 31 oktober 2005 tot en met 31 maart 2006 en heeft IZZ vergoeding van dit middel voor de periode daarna geweigerd.
Bij brief van 17 maart 2006 heeft [appellante] verzocht om het middel ook vanaf 1 april 2006 te verstrekken.
Bij brief van 24 april 2006 heeft IZZ aan [appellante] medegedeeld dat de periode waarover het middel zal worden vergoed, wordt verlengd tot en met 31 december 2006.
Tegen het gestelde in deze brief heeft [appellante] bij brief van 6 juni 2006 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 2 maart 2007, verzonden op 2 maart 2007, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dit beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 11 april 2007 hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bij uitspraak van 21 april 2010, in zaak nr. 06/3148, heeft de Centrale Raad van Beroep zich onbevoegd verklaard van het hoger beroep kennis te nemen. Het hoger beroep is bij brief van 23 april 2010, ontvangen op 26 april 2010, doorgezonden naar de Raad van State.
2. Overwegingen
2.1. Het geschil betreft de weigering van IZZ aan [appellante] het geneesmiddel Vivalan ook na 31 december 2006 te blijven verstrekken.
2.2. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 2 december 2009 in zaak nr. 200902078/1/H2, overweegt de Afdeling dat de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard van het beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat IZZ niet is aan te merken als een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en evenmin kan worden aangemerkt als een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed, als bedoeld onder b van dit artikelonderdeel. De rechtbank heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat van een door IZZ genomen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb geen sprake is en dat ter zake van het geschil dat partijen in deze procedure verdeeld houdt, uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. [appellante] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Toegegeven moet worden dat de procedure in hoger beroep veel te lang heeft geduurd. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat de Centrale Raad van Beroep het hoger beroepschrift van [appellante], dat op 11 april 2007 bij die Raad is ingediend, eerst na ruim drie jaar aan de Afdeling heeft doorgezonden. Anderzijds moet worden vastgesteld dat IZZ in haar brief van 24 april 2006 aan [appellante] heeft medegedeeld dat tegen de weigering haar nog langer het geneesmiddel Vivalan te verstrekken geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat, omdat sprake is van een privaatrechtelijke verzekering. De rechtbank heeft dit standpunt van IZZ, onder verwijzing naar de geschiedenis van de totstandkoming van de Zorgverzekeringswet, onderschreven. [appellante] moest er daarom ernstig rekening mee houden dat de door haar ingezette bestuursrechtelijke procedure uiteindelijk geen kans van slagen zou blijken te hebben. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding om af te wijken van het door haar gehanteerde uitgangspunt dat in niet-punitieve geschillen in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is te achten. Vanaf de indiening door [appellante] van haar bij brief van 17 maart 2006 gedaan verzoek om het geneesmiddel Vivalan ook vanaf 1 april 2006 te verstrekken tot aan deze uitspraak zijn vier jaren en ruim anderhalve maand verstreken. Daarmee is van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake, zodat geen grond bestaat voor het toekennen van schadevergoeding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump
voorzitter
w.g. Roelfsema
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht).
- Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.
- Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.
58.
Verzonden: 6 mei 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser