ECLI:NL:RVS:2010:BM5039

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200909895/2/M1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • P.A. Melse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:13 Awbvoorschrift 8.8 ontgrondingsvergunningvoorschrift 11.4 ontgrondingsvergunning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen aanwijzing college Zuid-Holland inzake ontgrondingsvergunning Boskalis

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland gaf op 29 mei 2009 aan Boskalis een aanwijzing op grond van voorschrift 8.8, verbonden aan een ontgrondingsvergunning, waarbij binnen acht weken een risicoanalyse en geactualiseerd werkplan moesten worden opgesteld. Boskalis maakte bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door het college ongegrond werd verklaard.

Boskalis stelde dat het college ten onrechte de aanwijzing had gegeven omdat de bevoegdheid daartoe alleen geldt bij een actuele calamiteit in relatie tot de zandwinning. Het college baseerde de aanwijzing op oevervallen uit 2002, 2003 en 2004 en een rapport uit 2009, en stelde dat onmiddellijk optreden nodig was.

De voorzitter oordeelde dat het college de aanwijzing onjuist had gebaseerd, omdat de calamiteiten waarop de aanwijzing steunt niet recent waren en voorschrift 8.8 alleen ziet op aanwijzingen bij actuele calamiteiten. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening deels toegewezen, het besluit geschorst en het griffierecht aan Boskalis vergoed.

De voorzitter wees het verzoek af voor de andere betrokken vennootschappen die geen bezwaar hadden gemaakt tegen het besluit, omdat hen dat redelijkerwijs verweten kon worden. De voorlopige voorziening is niet bindend voor de bodemprocedure.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen voor Boskalis en het besluit van het college geschorst wegens onjuiste uitleg van voorschrift 8.8.

Uitspraak

200909895/2/M1.
Datum uitspraak: 28 april 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F., gevestigd te Rotterdam, en anderen (hierna: Boskalis en anderen),
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college),
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het college aan de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F. (hierna: Boskalis) een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8, verbonden aan de bij het besluit van 6 juli 1999 verleende vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, gegeven.
Bij besluit van 6 november 2009, verzonden op 6 november 2009, heeft het college het door Boskalis hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 mei 2009 in stand gelaten.
Tegen dit besluit hebben Boskalis en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2009, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, hebben Boskalis en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 april 2010, waar Boskalis en anderen, vertegenwoordigd door mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Piek, werkzaam bij de provincie, en H. Koster, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij het ambtshalve besluit van 29 mei 2009 heeft het college aan Boskalis een aanwijzing gegeven die inhoudt dat binnen een termijn van acht weken een risicoanalyse en een geactualiseerd werkplan moet worden opgesteld en aan het hoofd van regiobureau Zuid moet worden overgelegd.
2.3. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
2.3.1. Het verzoek van Boskalis en anderen is mede ingesteld door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boskalis B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond- en Zandexploitatie Maatschappij "Rijnland" B.V. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boskalis B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond- en Zandexploitatie Maatschappij "Rijnland" B.V. hebben geen bezwaar gemaakt tegen het ambtshalve besluit van 29 mei 2009. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan hun dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet hierop verwacht de voorzitter dat het beroep in de hoofdzaak in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek van Boskalis en anderen om het treffen van een voorlopige voorziening dient, behoudens voor zover het Boskalis betreft, om die reden te worden afgewezen.
2.4. Boskalis betoogt dat het college ten onrechte een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning heeft gegeven. Zij voert aan dat de bevoegdheid tot het geven van de aanwijzing ontbreekt. Volgens Boskalis mag de aanwijzing slechts betrekking hebben op de uitvoering van het werk in samenhang met een zich voordoende calamiteit in relatie tot de zandwinactiviteit. Voorts wijst Boskalis op de brief van het college van 3 oktober 2005 waarin het college aangeeft dat thans geen sprake meer is van een dergelijke spoedeisendheid die het geven van een aanwijzing vanwege de oevervallen in 2003 en 2004 rechtvaardigt.
2.4.1. Het college wijst op de zich in 2002, 2003 en 2004 voorgedane oevervallen, het rapport 'Beoordeling zandwinning uitbreiding Zevenhuizerplas' van 1 april 2009 van Witteveen+Bos en de mededeling van Boskalis dat de zandwinactiviteit zal worden voortgezet met een hellingshoek van 1:4. Volgens het college was onmiddellijk optreden geboden ter beperking en voorkoming van schade en gevaarlijke situaties voor de omgeving. Voorts voert het college nog aan dat de brief van 3 oktober 2005 niet in de weg staat aan het geven van een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning wegens de oevervallen die zich in 2002, 2003 en 2004 hebben voorgedaan.
2.4.2. In voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat indien zich in relatie met de zandwinactiviteit een calamiteit voordoet, bijvoorbeeld een oeverval, de vergunninghouder onmiddellijk het bureauhoofd hierover moet inlichten. De aanwijzingen die door of vanwege het bureauhoofd worden gegeven, moeten door de vergunninghouder stipt worden opgevolgd.
In voorschrift 11.4 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat het bureauhoofd wordt gemachtigd op te treden in de gevallen waarin wij ons in de vergunningvoorschriften het recht hebben voorbehouden - voor wat betreft de uitvoering van het werk - aanwijzingen te geven.
2.4.3. De voorzitter is van oordeel dat de door het college gegeven aanwijzing berust op een onjuiste uitleg van voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzitter behelst voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing indien zich een calamiteit voordoet en ter beperking en voorkoming van schade en gevaar voor de omgeving optreden geboden is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het college de zich voorgedane oevervallen op 22 november 2002, 13 januari 2003 en 28 januari 2004 aan de onderhavige aanwijzing ten grondslag heeft gelegd. Niet is gesteld dat zich nadien andere calamiteiten hebben voorgedaan. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat het college de aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning niet heeft gebaseerd op calamiteiten die zich recent hebben voorgedaan.
2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Aan bespreking van de overige gronden van het verzoek komt de voorzitter niet toe.
2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek behoudens voor zover ingediend door de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F. af;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 6 november 2009, kenmerk PZH-2009-139139557, en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 29 mei 2009, kenmerk PZH-2009-413784;
III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Melse
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010
191-625.