ECLI:NL:RVS:2010:BM5040

Raad van State

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201003116/2/M1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • K. Brink
  • P.A. Melse
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:13 AwbOntgrondingenwetVoorschrift 8.8 ontgrondingsvergunningVoorschrift 11.4 ontgrondingsvergunning
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen aanwijzing zandwinning Zevenhuizerplas

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland gaf op 15 oktober 2009 een aanwijzing aan Boskalis/Rijnland op grond van voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning, vanwege overschrijding van een hellingshoek bij zandwinning in de Zevenhuizerplas. Boskalis/Rijnland en Boskalis maakten bezwaar tegen deze aanwijzing, dat door het college op 16 februari 2010 werd afgewezen. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de Raad van State en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat Rijnland geen bezwaar had gemaakt en dat het beroep van Rijnland daarom waarschijnlijk niet-ontvankelijk zou zijn. De voorzitter stelde vast dat het college de aanwijzing baseerde op oevervallen uit 2002, 2003 en 2004, terwijl voorschrift 8.8 alleen bevoegdheid geeft tot aanwijzingen bij actuele calamiteiten. Hierdoor was de aanwijzing onjuist gebaseerd.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen: het besluit van 15 oktober 2009 en het besluit van 16 februari 2010 werden geschorst voor Boskalis/Rijnland en Boskalis, terwijl het verzoek van Rijnland werd afgewezen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan Boskalis/Rijnland en Boskalis vergoed. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een juiste uitleg van vergunningvoorschriften en het belang van actuele calamiteiten voor het geven van aanwijzingen.

Uitkomst: Het besluit van het college tot aanwijzing wordt geschorst wegens onjuiste uitleg van vergunningvoorschrift 8.8.

Uitspraak

201003116/2/M1.
Datum uitspraak: 28 april 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F. (hierna: Boskalis/Rijnland), de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boskalis B.V. (hierna: Boskalis) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond- en Zandexploitatie Maatschappij "Rijnland" B.V. (hierna: Rijnland), gevestigd te respectievelijk Rotterdam, Rotterdam en Gouda,
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college),
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2009 heeft het college aan Boskalis/Rijnland een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8, verbonden aan de bij het besluit van 6 juli 1999 verleende vergunning krachtens de Ontgrondingenwet, gegeven.
Bij besluit van 16 februari 2010, verzonden op 16 februari 2010, heeft het college het door Boskalis/Rijnland en Boskalis hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 15 oktober 2009 in stand gelaten.
Tegen dit besluit hebben Boskalis/Rijnland, Boskalis en Rijnland bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 maart 2010, beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2010, hebben Boskalis/Rijnland, Boskalis en Rijnland de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 april 2010, waar Boskalis/Rijnland, Boskalis en Rijnland, vertegenwoordigd door mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. Piek, werkzaam bij de provincie, en H. Koster, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Bij het ambtshalve besluit van 15 oktober 2009 heeft het college aan Boskalis/Rijnland een aanwijzing gegeven die inhoudt dat de zandwinning in de Zevenhuizerplas, zodanig dat een hellingshoek van 1:6 in het zandpakket wordt onderschreden, tot het moment waarop uit beoordeling van een uitgevoerde risicoanalyse en een geactualiseerd werkplan is gebleken dat - eventueel door het treffen van beheersmaatregelen - veilige en stabiele oevers ontstaan, niet mag worden voortgezet.
2.3. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
2.3.1. Rijnland heeft geen bezwaar gemaakt tegen het ambtshalve besluit van 15 oktober 2009. Naar het oordeel van de voorzitter is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet hierop verwacht de voorzitter dat het beroep in de hoofdzaak in zoverre niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek van Boskalis/Rijnland, Boskalis en Rijnland om het treffen van een voorlopige voorziening dient, voor zover het Rijnland betreft, om die reden te worden afgewezen.
2.4. Boskalis/Rijnland en Boskalis betogen dat het college ten onrechte een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning heeft gegeven. Zij voeren aan dat de bevoegdheid tot het geven van de aanwijzing ontbreekt. Volgens Boskalis/Rijnland en Boskalis mag de aanwijzing slechts betrekking hebben op de uitvoering van het werk in samenhang met een zich voordoende calamiteit in relatie tot de zandwinactiviteit. Voorts wijzen Boskalis/Rijnland en Boskalis op de brief van het college van 3 oktober 2005 waarin het college aangeeft dat thans geen sprake meer is van een dergelijke spoedeisendheid die het geven van een aanwijzing vanwege de oevervallen in 2003 en 2004 rechtvaardigt.
2.4.1. Het college wijst op de zich in 2002, 2003 en 2004 voorgedane oevervallen, het rapport 'Beoordeling zandwinning uitbreiding Zevenhuizerplas' van 1 april 2009 van Witteveen+Bos en het feit dat Boskalis op 12 oktober 2009 gestart is met het winnen van zand tussen de hellingshoeken 1:6 en 1:4. Volgens het college was onmiddellijk optreden geboden ter beperking en voorkoming van schade en gevaarlijke situaties voor de omgeving. Het college heeft ter zitting nog opgemerkt dat het tevens de mogelijkheid om de ontgrondingsvergunning te wijzigen in ogenschouw heeft genomen en dat dit inmiddels heeft geleid tot een conceptwijziging van de vergunning die nagenoeg gereed is. Daarnaast is het verzoek van Boskalis/Rijnland om verlenging van de looptijd van de ontgrondingsvergunning in behandeling, aldus het college. Voorts voert het college nog aan dat de brief van 3 oktober 2005 niet in de weg staat aan het geven van een aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning wegens de oevervallen die zich in 2002, 2003 en 2004 hebben voorgedaan.
2.4.2. In voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat indien zich in relatie met de zandwinactiviteit een calamiteit voordoet, bijvoorbeeld een oeverval, de vergunninghouder onmiddellijk het bureauhoofd hierover moet inlichten. De aanwijzingen die door of vanwege het bureauhoofd worden gegeven, moeten door de vergunninghouder stipt worden opgevolgd.
In voorschrift 11.4 van de ontgrondingsvergunning is bepaald dat het bureauhoofd wordt gemachtigd op te treden in de gevallen waarin wij ons in de vergunningvoorschriften het recht hebben voorbehouden - voor wat betreft de uitvoering van het werk - aanwijzingen te geven.
2.4.3. De voorzitter is van oordeel dat de door het college gegeven aanwijzing berust op een onjuiste uitleg van voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzitter behelst voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing indien zich een calamiteit voordoet en ter beperking en voorkoming van schade en gevaar voor de omgeving optreden geboden is. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat het college de zich voorgedane oevervallen op 22 november 2002, 13 januari 2003 en 28 januari 2004 aan de onderhavige aanwijzing ten grondslag heeft gelegd. Niet is gesteld dat zich nadien andere calamiteiten hebben voorgedaan. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat het college de aanwijzing als bedoeld in voorschrift 8.8 van de ontgrondingsvergunning niet heeft gebaseerd op calamiteiten die zich recent hebben voorgedaan.
2.5. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Aan bespreking van de overige gronden van het verzoek komt de voorzitter niet toe.
2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek voor zover ingediend door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grond- en Zandexploitatie Maatschappij "Rijnland" B.V. af;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 16 februari 2010, kenmerk PZH-2010-156944725, en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 15 oktober 2009, kenmerk PZH-2009-136037680;
III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan de vennootschap onder firma Boskalis/Rijnland V.O.F. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Boskalis B.V. het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Melse
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010
191-625.