Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2010:BM5523

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201000724/3/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • D. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Verordening (EG) 343/2003Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opschorting overdrachtstermijn op grond van Dublinverordening na voorlopige voorziening

De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen een afwijzing van een verblijfsvergunning gegrond verklaarde. De vreemdeling had tevens een voorlopige voorziening gevraagd om opschorting van de overdrachtstermijn volgens de Dublinverordening.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat door de eerdere toewijzing van een voorlopige voorziening door de rechtbank op 13 augustus 2009, een nieuwe termijn van zes maanden voor overdracht is aangevangen na de beslissing op het beroep van 24 december 2009. Hierdoor zou het hoger beroep zonder opschorting illusoir zijn.

Daarom wordt aan het hoger beroep opschortende werking verleend conform artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) 343/2003, waardoor de overdrachtstermijn wordt opgeschort vanaf de dag na de uitspraak van 18 mei 2010. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De opschorting van de overdrachtstermijn op grond van de Dublinverordening wordt toegewezen en blijft van kracht totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

201000724/3/V3.
Datum uitspraak: 18 mei 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) van 24 december 2009 in zaak nr. 09/25421 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind (hierna: de vreemdeling)
en
de staatssecretaris.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 24 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris (thans de minister van Justitie, hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 20 januari 2010, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 april 2010, de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek heeft geen verdere strekking dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de hoger-beroepsprocedure opschortende werking heeft, zodat de termijn als bedoeld in artikel 20 van Pro de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening (EG) 343/2003) wordt opgeschort.
2.2. De termijn waarbinnen de overdracht uiterlijk dient plaats te vinden eindigt, naar de minister stelt, op 24 juni 2010. De vreemdeling stelt dat de termijn waarbinnen de overdracht dient plaats te vinden is verstreken, nu deze op 19 januari 2010 is geëindigd.
Niet in geschil is dat de termijn van overdracht, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) 343/2003 op 19 juli 2008 een aanvang heeft genomen en dat deze termijn overeenkomstig het tweede lid van voormeld artikel tot maximaal 18 maanden is verlengd, aldus tot 19 januari 2010. Bij uitspraak van 13 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van de vreemdeling om een voorlopige voorziening hangende haar beroep tegen het besluit van 9 juli 2009 toegewezen, in die zin dat de staatssecretaris wordt gelast uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is als gevolg van de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) 343/2003 na de beslissing op het beroep op 24 december 2009 een nieuwe termijn van zes maanden voor overdracht aangevangen. Gelet hierop en aldus uitgaande van voornoemde, door de minister gestelde, uiterlijke overdrachtsdatum zal dit hoger beroep zonder dat de verzochte voorziening wordt getroffen, illusoir kunnen worden. Het verzoek komt daarom op na te melden wijze kennelijk voor toewijzing in aanmerking. Deze toewijzing brengt mee dat de termijn van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) 343/2003 wordt opgeschort met ingang van de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
treft de voorlopige voorziening dat aan het hoger beroep opschortende werking, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening (EG) 343/2003, wordt verleend, totdat hierop is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk
voorzitter
w.g. Van Leeuwen
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2010
373-601.
Verzonden: 18 mei 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser