ECLI:NL:RVS:2010:BM5535
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling kan toegang tot Frankrijk niet aannemelijk maken voor beëindiging vreemdelingenbewaring
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen deze maatregel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat zijn toegang tot Frankrijk, het land waar hij naar terug wilde keren, was gewaarborgd. De vreemdeling had een huwelijksakte overgelegd en gesteld dat hij na een half jaar samenwonen met zijn Franse echtgenote in aanmerking zou komen voor een Franse verblijfsvergunning.
De Raad van State oordeelde dat deze stellingen onvoldoende waren onderbouwd. De huwelijksakte en een brief van de echtgenote vormden geen objectief bewijs dat de toegang tot Frankrijk gewaarborgd was. Ook bleek uit onderzoek dat de vreemdeling niet geregistreerd stond in Frankrijk. Daarom kon hij geen rechten ontlenen aan het EU-recht op vrij verkeer en verblijf.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De bewaring kon derhalve voortduren zolang de toegang tot Frankrijk niet aannemelijk was gemaakt.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond omdat hij zijn toegang tot Frankrijk niet aannemelijk heeft gemaakt.