ECLI:NL:RVS:2010:BM6445

Raad van State

Datum uitspraak
2 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201000024/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken bezwaar tegen handhavingsbesluit garage

Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom weigerde handhavend op te treden tegen de hoogte van een garage op een perceel te Bergen op Zoom. Appellant, eigenaar van de garage, stelde beroep in tegen dit besluit nadat de rechtbank zijn eerdere beroep niet-ontvankelijk had verklaard omdat hij geen bezwaar had gemaakt tegen het besluit.

De Raad van State oordeelde dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat appellant redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 december 2007. De enkele betrokkenheid van appellant als belanghebbende bij de bezwaarprocedure was onvoldoende om hem te vrijwaren van deze verplichting.

De Raad van State bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De zaak draaide om de juiste toepassing van de Awb, met name de regels omtrent ontvankelijkheid van beroep bij het ontbreken van bezwaar.

Uitkomst: Het beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van bezwaar tegen het handhavingsbesluit.

Uitspraak

201000024/1/H1.
Datum uitspraak: 2 juni 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 november 2009 in zaak nr. 08/5827 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2007 heeft het college geweigerd handhavend op te treden met betrekking tot de hoogte van de garage op het perceel [locatie] te Bergen op Zoom.
Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 november 2009, verzonden op 30 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2009, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door H.J.M. Marcus, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. P.J. Smink, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. In deze zaak is niet in geschil of het college het verzoek van [belanghebbende] om handhavend op te treden tegen de garage terecht heeft afgewezen, maar of het dit op juiste gronden heeft gedaan. Volgens [appellant], de eigenaar van de garage, had het college dat verzoek niet op inhoudelijke gronden maar met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moeten afwijzen.
2.2. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb, voor zover thans van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, nu hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 december 2007, het door hem ingestelde beroep ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb niet-ontvankelijk is. Daartoe voert hij aan dat hij als belanghebbende aan de bezwaarprocedure heeft deelgenomen en reeds in dat kader heeft aangegeven dat het college het verzoek om handhaving met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb had moeten afwijzen.
2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 december 2007, het door hem ingestelde beroep ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb niet-ontvankelijk is. De enkele omstandigheid dat hij als belanghebbende bij de bezwaarprocedure was betrokken, brengt niet mee dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Indien hij van mening was dat het besluit van 14 december 2007 onrechtmatig is, omdat het verzoek om handhaving daarbij niet met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb is afgewezen, had hij daartegen zelf bezwaar moeten maken.
Het betoog faalt.
2.4. Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de overige beroepsgronden.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Van Roessel
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2010
457.