ECLI:NL:RVS:2010:BM8425
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over procesbelang bij verlenging tijdelijk verblijfsrecht en aanvraag verblijfsvergunning onbepaalde tijd
De vreemdeling had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel verblijf bij partner van 7 april 2009 tot 7 april 2010. Hij stelde dat de periode van 1 september 2006 tot 7 april 2009, waarvoor hij een tijdelijke verblijfsvergunning wilde verlengen, relevant was voor zijn aanvraag van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
De rechtbank had het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, omdat hij pas vanaf 7 april 2009 een niet-tijdelijk verblijfsrecht had. De Raad van State stelde echter vast dat de rechtbank niet had onderzocht of de rechtmatigheid van het tijdelijke verblijf in de voorafgaande periode relevant kon zijn volgens de artikelen 3.92 en 3.93 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad van State oordeelde dat het procesbelang van de vreemdeling niet vooraf kon worden uitgesloten, omdat de periode van tijdelijk verblijf direct voorafging aan het niet-tijdelijke verblijf. Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling.
Daarnaast stelde de Raad van State de proceskosten vast en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan de vreemdeling wordt terugbetaald.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.