Uitspraak
200906448/1, 200907337/1,
200907339/1,
200907350/1, 200907354/1, 200908958/1,
200909702/1,
200909703/1,
200909802/1,
200909814/1, 200909817/1,
200909820/1en 200909929/1, ter zitting behandeld op 6 april 2010, waar Zadkine, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, vergezeld door ir. J.C.N.E. Willems en mr. E.J. Slachter, beiden werkzaam bij Zadkine, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff, ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
200502880/1wordt overwogen dat hieruit volgt dat de rechtmatigheid van het besluit van 25 juni 1999 daarmee vaststaat. Voor het oordeel, dat met het voorbehoud in het besluit van 25 juni 1999 in strijd met het legaliteitsbeginsel een bevoegdheid is gecreëerd, bestaat geen grond. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de ESF-regeling was de Regionale Directie bevoegd de subsidie vast te stellen. Bij besluit van 25 juni 1999 heeft zij van die bevoegdheid gebruik gemaakt. Zij heeft daarbij het voorbehoud gemaakt dat het besluit kan worden gewijzigd indien de controle van de projectadministratie daartoe aanleiding geeft. Aldus is, anders dan Zadkine betoogt, geen sprake van het creëren van een nieuwe bevoegdheid, maar van het onder voorbehoud gebruik maken van een reeds bestaande bevoegdheid. Eerst bij besluit van de minister van 8 januari 2002 is definitief toepassing gegeven aan de in artikel 14, eerste lid, van de ESF-regeling neergelegde bevoegdheid en is een definitieve aanspraak op subsidiegelden ontstaan. Voor zover Zadkine van oordeel is dat het voorwaardelijk vaststellen van de subsidie niet geoorloofd was, had het op haar weg gelegen tegen het besluit van 25 juni 1999 op te komen. Het ter zitting door Zadkine gehouden betoog dat daartoe geen aanleiding bestond, kan in dit licht niet worden gevolgd. Het besluit van 25 juni 1999 kan hierom in deze procedure niet meer aan de orde komen.