Uitspraak
200906448/1,
200907335/1, 200907337/1,
200907339/1,
200907350/1, 200907354/1, 200908958/1,
200909703/1,
200909802/1,
200909814/1, 200909817/1,
200909820/1en 200909929/1, ter zitting behandeld op 6 april 2010, waar Zadkine, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam, vergezeld door ir. J.C.N.E. Willems en mr. E.J. Slachter, beiden werkzaam bij Zadkine, de minister van Justitie en de Raad voor de rechtspraak, vertegenwoordigd door mr. P.H. Banda, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, vertegenwoordigd door mr. F.A. Gelauff, ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
200502910/1) sprake is van misbruik of nalatigheid als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Coördinatieverordening.
200906777/1) heeft de Raad voor de rechtspraak niet de mogelijkheid om als belanghebbende in hoger beroep te komen tegen een uitspraak van de rechtbank, waarin de Staat is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding. Dat in dit geval niet de Staat, maar de minister van Justitie is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding maakt dat niet anders. Daartoe is in de eerste plaats van belang dat de Raad voor de rechtspraak ingevolge artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb geen bestuursorgaan is en derhalve reeds daarom niet op grond van het vierde lid kan worden veroordeeld in de schade. Verder is van belang dat ingevolge de artikelen 19, eerste lid en 20, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2001, de ministers, ieder met betrekking tot het ministerie met de leiding waarvan hij is belast, verantwoordelijk zijn voor het beheer van de begrotingen van hun ministeries, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid dat aan hun begroting ten grondslag ligt en het periodiek onderzoeken van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het beleid en dat ingevolge artikel 100 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover hier van belang, de minister van Justitie, met inachtneming van de regels, bedoeld in artikel 97, eerste lid, jaarlijks aan de Raad voor de rechtspraak een budget toekent ten laste van de rijksbegroting ten behoeve van de activiteiten van de Raad en de gerechten gezamenlijk. Hieruit volgt dat de minister van Justitie een eigen bevoegdheid heeft. Dat bij de op 1 januari 2002 in werking getreden Wet van 6 december 2001 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enkele andere wetten in verband met de instelling van de Raad voor de rechtspraak (Wet Raad voor de rechtspraak) is voorzien in de toedeling van beheersmatige taken en bevoegdheden naar het niveau van de gerechten, alsmede de instelling van een Raad voor de rechtspraak als schakel tussen de minister van Justitie en de gerechten teneinde de institutionele onafhankelijkheid van de rechtsprekende macht te versterken, laat blijkens de Memorie van Toelichting bij deze wet (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 182, nr. 3, p. 34) deze bevoegdheid onverlet. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht de minister van Justitie aangewezen als bestuursorgaan dat de schade moet vergoeden en faalt het betoog.
200703206/1) volgt dat het bestuursorgaan dat in de schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn wordt veroordeeld in de gelegenheid moet worden gesteld verweer te voeren. Vast staat dat de rechtbank de minster van Justitie daar in deze zaak niet toe in de gelegenheid heeft gesteld. Het betoog is in zoverre terecht voorgedragen. Het kan echter niet leiden tot het ermee beoogde doel, nu de minister van Justitie in hoger beroep is uitgenodigd ter zitting te verschijnen en daar voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn standpunt toe te lichten.
200906448/1,
200907335/1,
200907339/1,
200907350/1,
200909703/1,
200909802/1,
200909814/1en
200909820/1, waarin Zadkine en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid partij zijn. Hoewel in een aantal van deze zaken soortgelijke rechtsvragen voorliggen, vormt dat onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechtbank niet in meerdere zaken heeft kunnen komen tot veroordeling in de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat geen sprake zou zijn van extra spanning en frustratie. Daartoe is van belang dat de zaken betrekking hebben op subsidieaanvragen voor verschillende ESF-projecten.