Uitspraak
200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van Pro de Flora- en faunawet. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek niet kan worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. Het college heeft aan de besluiten een natuurtoets van Arcadis van 6 juli 2005, voormelde notitie van Van Heukelom-Verbeek landschapsarchitecten en de reactie van Arcadis daarop ten grondslag gelegd. In de natuurtoets van Arcadis ten behoeve van het bouwplan is aangegeven dat wanneer de aanwezige bomen grotendeels gehandhaafd blijven het broedgebied van de Groene Specht en de Grauwe Vliegenvanger niet verloren gaat. De locatie zal ook leefgebied blijven van de eekhoorn. Daarnaast zal het gebied geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. Doordat de bomen aan de noord- west- en zuidrand grotendeels gespaard blijven, zullen tevens de aanwezige migratieroutes voor vleermuizen behouden blijven. Geconcludeerd wordt dat indien enkele beschermende maatregelen, in het bijzonder ten aanzien van werkzaamheden in het broedseizoen, in acht worden genomen, geen ontheffing op grond van artikel 75 van Pro de Flora- en faunawet benodigd is. In voormeld rapport van Royal Haskoning is opgenomen dat wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet moet worden aangevraagd, maar dat deze naar verwachting zal worden verstrekt. Dit standpunt is evenwel niet nader onderbouwd en leidt er bovendien niet toe dat de Flora- en faunawet aan verlening van de vrijstelling in de weg staat. De stelling van de Stichting dat nu het gebied waar het project is voorzien is gelegen in de nabijheid van de Brunssummerheide waar een groot aantal beschermde soorten te vinden is, zodat deze ook wel in het terrein aanwezig zullen zijn, kan - zonder nadere onderbouwing - evenmin doel treffen. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen, dan wel de aanwezigheid van andere diersoorten. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet op voorhand moet worden aangenomen dat de toepasselijke bepalingen van de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan en daarmee aan het verlenen van vrijstelling in de weg staan. Steun voor dit oordeel kan voorts worden gevonden in het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 30 september 2008, waarbij het verzoek van de Stichting om handhavend op te treden in verband met de overtreding van de Flora- en faunawet is afgewezen. Hetgeen de Stichting aanvoert ten aanzien van het al dan niet kunnen verkrijgen van een ontheffing ten aanzien van de in bijlage IV van de Habitatrichtlijn genoemde soorten kan dan ook niet tot het daarmee beoogde resultaat leiden.