ECLI:NL:RVS:2010:BM8859

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200908911/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • R. van Heusden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning voor werktuigenberging op agrarisch perceel in Winterswijk

In deze zaak heeft de Raad van State op 23 juni 2010 uitspraak gedaan in hoger beroep over de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk om een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een werktuigenberging op het perceel Meester Meinenweg 29 te Kotten. Het college had op 12 juni 2006 besloten om de vergunning niet te verlenen, waarna de gemeenteraad op 18 september 2008 ook geen vrijstelling van het bestemmingsplan verleende. De rechtbank Zutphen verklaarde op 28 oktober 2009 het beroep van de vergunninghouder ongegrond en het beroep tegen de gemeenteraad niet-ontvankelijk. Hierop heeft de appellant, wonend te [woonplaats], hoger beroep ingesteld bij de Raad van State, waarbij de gronden zijn aangevuld in december 2009.

De Raad van State heeft de zaak behandeld op 11 mei 2010. De appellant betoogde dat de rechtbank ten onrechte de splitsing in de beroepszaken had aangebracht en dat het college niet bevoegd was om op de aanvraag te beslissen, omdat de beslistermijn was verstreken en het bouwplan niet in strijd was met het bestemmingsplan. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet niet van toepassing achtte op de weigering van vrijstelling. Ook werd het betoog van de appellant dat er van rechtswege een bouwvergunning was ontstaan, verworpen, omdat eerder was vastgesteld dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan in naam der Koningin en is openbaar uitgesproken op 23 juni 2010.

Uitspraak

200908911/1/H1.
Datum uitspraak: 23 juni 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 28 oktober 2009 in zaak nr. 08/1755 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk
(hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2006 heeft het college geweigerd wijlen [vergunninghouder] bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een werktuigenberging op het perceel Meester Meinenweg 29 te Kotten, gemeente Winterswijk (hierna: het perceel).
Naar aanleiding van het daartegen door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar heeft de raad van de gemeente Winterswijk (hierna: de gemeenteraad) bij besluit van 18 september 2008 geweigerd vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen voor het bouwplan.
Bij besluit van 30 september 2008 heeft het college het door [vergunninghouder] tegen het besluit van 12 juni 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [vergunninghouder] tegen het besluit van 30 september 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard en het door hem tegen het besluit van 18 september 2008 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 december 2009.
Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
[appellant] heeft ook een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.C.B. Tollkamp, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Winterswijk-Oost" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met visueel-ruimtelijke en/of cultuurhistorische en/of ecologische waarden".
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, is het verboden de onbebouwde grond en de opstallen te gebruiken in strijd met deze bestemming.
2.2. [appellant] betoogt dat de splitsing die de rechtbank heeft aangebracht niet terecht is. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus, dat volgens [appellant] de rechtbank het tegen het besluit van 18 september 2008 van de gemeenteraad ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, om reden dat tegen dat besluit bezwaar moest worden gemaakt, alvorens daartegen beroep kon worden ingesteld.
2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet niet van toepassing geacht op een weigering om vrijstelling te verlenen.
2.3. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op het bepaalde in artikel 46, eerste en vierde lid, gelezen in verbinding met artikel 52 van de Woningwet, niet bevoegd op de aanvraag kon beslissen en, nu de beslistermijn was verstreken en het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, van rechtswege bouwvergunning is ontstaan.
2.3.1. De Afdeling heeft eerder (uitspraak van 24 december 2008 in zaak nr.
200801684/1) in een geding tussen partijen overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zodat geen bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Die uitspraak heeft gezag van gewijsde.
Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Heusden
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2010
163-640.