ECLI:NL:RVS:2010:BM9650

Raad van State

Datum uitspraak
24 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200909723/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
  • P.J.A.M. Broekman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBesluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheerBouwbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Oliemolenkwartier 2009 gemeente Amersfoort

De raad van de gemeente Amersfoort stelde op 22 september 2009 het bestemmingsplan Oliemolenkwartier 2009 vast, waarin onder meer een horecabestemming werd opgenomen voor het perceel Kleine Koppel 20/21. Verzoeker en anderen maakten bezwaar tegen dit deel van het plan vanwege geluidsoverlast van een illegaal horecabedrijf en het ontbreken van nader akoestisch onderzoek.

Tijdens de zitting op 31 mei 2010 werd vastgesteld dat het horecabedrijf zonder geldige bouw- en terrasvergunning opereerde, maar dat isolatiemaatregelen werden getroffen en dat het bedrijf aan milieuregels moest voldoen. De voorzitter achtte het spoedeisend belang aanwezig vanwege een ingediende bouwaanvraag.

De voorzitter oordeelde dat de geluidsoverlast binnen het bouwwerk naar verwachting zal afnemen en dat het bijzondere karakter van het horecabedrijf als strandtent geen relevante extra overlast veroorzaakt. Het plan beperkt het illegale gebruik van het terrein en zorgt voor een grotere afstand tot woningen. Ook werden maatregelen in het kader van de exploitatievergunning verwacht.

Gelet op deze omstandigheden en de afstand tot de woningen, achtte de voorzitter nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk en vond hij het redelijk dat de raad een horecabestemming toekende. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijke overlast en redelijke besluitvorming.

Uitspraak

200909723/2/R2.
Datum uitspraak: 24 juni 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker] en anderen, wonend te [woonplaats],
en
de raad van de gemeente Amersfoort,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 september 2009 heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan "Oliemolenkwartier 2009" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld.
Bij deze brief hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 31 mei 2010, waar [verzoeker] en anderen, bijgestaan door mr. E.J.M.J.J. Houben, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door D. Schalks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is [belanghebbende] daar als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Het bestemmingsplan voorziet naast een bedrijventerrein in een horeca- en woonfunctie.
2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] en anderen richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" en de aanduiding ‘horeca van de categorie b’ voor zover het betreft het perceel Kleine Koppel 20/21 te Amersfoort. In dit verband voeren zij meerdere beroepsgronden aan die betrekking hebben op de aantasting van hun woon- en leefgenot vanwege met name de geluidsoverlast van het illegaal aanwezige horecabedrijf ter plaatse alsmede het ontbreken van nader akoestisch onderzoek en het ontbreken van een onderbouwing van de bijzondere kwaliteiten van dit horecabedrijf. Zij hebben met name bezwaar tegen het bijzondere concept van dit specifieke horecabedrijf als strandtent in de stad omdat dit volgens hen andere overlast met zich brengt dan een meer gangbaar horecaconcept. [verzoeker] en anderen beogen met hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het plan te voorkomen.
Het plan voorziet in nieuwe bouwmogelijkheden ter plaatse en ter zitting is vastgesteld dat een bouwaanvraag is ingediend door het ter plaatse gevestigde horecabedrijf voor de gronden die in het plan zijn bestemd als "Horeca". Derhalve acht de voorzitter spoedeisend belang aanwezig.
2.4. Niet in geschil is dat het ter plaatse met een tijdelijke bouwvergunning gevestigde horecabedrijf thans geen bouwvergunning heeft en zonder terrasvergunning gebruikt maakt van gronden die in het plan zijn bestemd als "Horeca" en "Bedrijventerrein".
2.5. Ter zitting hebben [verzoeker] en anderen desgevraagd gesteld dat met name overlast wordt ondervonden van de muziek die wordt geproduceerd binnen de bestaande bebouwing van het horecabedrijf en die naar buiten uitstraalt. Voorts gaat het om overlast vanwege het geluid van vertrekkende bezoekers en bezoekers die zich buiten ophouden om bijvoorbeeld te roken.
Ter zitting is vastgesteld dat het huidige bouwwerk bestaat uit een niet geïsoleerde nissenhut en is bevestigd dat dit bouwwerk aanstonds zal worden geïsoleerd om te voldoen aan de vereisten van het Bouwbesluit ter verkrijging van de daartoe benodigde bouwvergunning. Op grond daarvan verwacht de voorzitter dat de overlast vanwege de muziek binnen het bouwwerk zal afnemen. Voorts dient het bedrijf op dit punt te voldoen aan de vereisten zoals genoemd in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Niet valt in te zien op welke relevante punten het bijzondere karakter van de ter plaatse aanwezige horeca als strandtent in de stad zich verder onderscheidt van andere horeca. Het door [verzoeker] en anderen genoemde geluid van vertrekkende en rokende bezoekers doet zich ook voor bij andere café-restaurants. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat geen bijzondere overlast wordt ondervonden van de activiteiten die plaatsvinden op het aangelegde strandterras. Bovendien heeft het plan tot gevolg dat het huidige illegale gebruik van het terrein dat in het plan de bestemming "Bedrijventerrein" heeft gekregen, zal moeten worden gestaakt en dat alleen de gronden met de bestemming "Horeca" op de noordoostelijke en zuidelijke gedeelten van het perceel aan de kant van de Eemlaan voor dit doel kan worden gebruikt. Hierdoor komt het strandterras iets verder van de woningen van [verzoeker] en anderen te liggen dan thans het geval is. Voorts is niet gebleken dat de stelling van de raad dat van de in het plan voorziene bedrijfsbebouwing op de naastgelegen gronden een zekere afschermende werking uitgaat, onjuist is. Tot slot zullen in het kader van de benodigde horecaexploitatievergunning voorwaarden aan de exploitatie van het terras kunnen worden verbonden die betrekking hebben op het voorkomen van overlast voor de omgeving.
Gelet op al het voorgaande verwacht de voorzitter niet dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat nader akoestisch onderzoek noodzakelijk was alvorens de raad het plan mocht vaststellen.
Mede gelet op de afstand van ongeveer 80 meter tussen het perceel met de bestemming "Horeca" en de woning van [verzoeker] en in aanmerking genomen dat het gebied kan worden gekarakteriseerd als gemengd gebied, verwacht de voorzitter voorts niet dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het toekennen van een horecabestemming aan het desbetreffende perceel.
2.6. Gelet op het voorgaande dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Buuren w.g. Broekman
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2010
317-573.