ECLI:NL:RVS:2010:BM9680

Raad van State

Datum uitspraak
30 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201000302/1/H3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling geen belanghebbende bij splitsingsvergunning voor huurder ondanks werkzaamheden

Het dagelijks bestuur verleende vergunning aan een eigenaar om een pand te splitsen in drie appartementsrechten. Een huurder van een verdieping in het pand maakte bezwaar tegen deze splitsingsvergunning en werd door het bestuur niet als belanghebbende erkend. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat de huurder wel belanghebbende was omdat de splitsingsvergunning leidde tot werkzaamheden in zijn woning die zijn woonsituatie wijzigden.

De Raad van State stelde in hoger beroep vast dat de verrichte werkzaamheden, zoals aan de laagspannings- en gasinstallatie, het vervangen van deuren en kozijnen en het brandwerend bekleden van leidingkokers, noodzakelijk waren om te voldoen aan het Bouwbesluit voor bestaande bouw en niet specifiek wijziging brachten in de woonsituatie van de huurder. Het enkele feit dat deze werkzaamheden in het kader van de splitsingsvergunning werden uitgevoerd, maakt dit niet anders.

Daarom oordeelde de Raad van State dat de huurder niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de huurder ongegrond verklaard.

Uitkomst: De huurder wordt niet als belanghebbende erkend en het beroep tegen het besluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201000302/1/H3.
Datum uitspraak: 30 juni 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West, thans: het dagelijks bestuur van het stadsdeel West,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009 in zaak nr. 09/1492 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
het dagelijks bestuur.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2008 heeft het dagelijks bestuur vergunning verleend aan [vergunninghoudster] tot het splitsen van het eigendomsrecht van het pand gelegen aan de [locatie] te [plaats] in drie appartementsrechten.
Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 februari 2009 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 januari 2010.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghoudster] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2010, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.H.G. Vogel, werkzaam bij het stadsdeel West, en [wederpartij], in persoon, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J.A. Tuinman, advocaat te Amsterdam, als belanghebbende gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.2. Het dagelijks bestuur heeft het door [wederpartij] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het [wederpartij] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb aanmerkt, nu er geen grond is voor het oordeel dat zijn woonsituatie als gevolg van de splitsingsvergunning is gewijzigd.
2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de splitsingsvergunning het woonrecht van [wederpartij] eerbiedigt, maar wel wijziging brengt in zijn woonsituatie.
Volgens de rechtbank heeft [vergunninghoudster] op grond van een mede door het dagelijks bestuur opgestelde lijst werkzaamheden laten uitvoeren in de woning van [wederpartij] teneinde deze woning in overeenstemming te brengen met de voorwaarden die het dagelijks bestuur voor het verlenen van een splitsingsvergunning aan het pand stelt. De rechtbank heeft overwogen dat het gaat om werkzaamheden aan de laagspanningsinstallatie en de gasinstallatie, het vervangen van voordeuren en van kozijnen en ramen aan de voorzijde, het bekleden van leidingkokers in de badkamer met brandwerend materiaal en het herstellen of vervangen van balken en vloerdelen van het balkon. Met het enkele feit dat deze werkzaamheden van invloed zijn op en wijziging brengen in de woonsituatie van [wederpartij] is gegeven dat zijn belang rechtstreeks is betrokken bij de splitsingsvergunning en dat hij een objectief bepaalbaar belang heeft, aldus de rechtbank.
2.4. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de splitsingsvergunning wijziging brengt in de woonsituatie van [wederpartij] en dat zijn belang daarmee rechtstreeks is betrokken bij de splitsingsvergunning.
2.5. [wederpartij] huurt een verdieping in het pand waarvoor [vergunninghoudster] een splitsingsvergunning heeft aangevraagd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2007 in zaak nr.
200608492/1), is voor de beoordeling van de vraag of een huurder belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bepalend in hoeverre de splitsingsvergunning van invloed is op zijn woonsituatie.
Een splitsingsvergunning voorziet slechts in publiekrechtelijke toestemming om de eigendom van het pand om te zetten in appartementsrechten. Het verrichten van de onder 2.3 genoemde werkzaamheden in de woning van [wederpartij] was noodzakelijk om te voldoen aan de uit het Bouwbesluit voortvloeiende eisen voor bestaande bouw. Daarom is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de woonsituatie niet wordt gewijzigd door het enkele verrichten van die werkzaamheden. Dat de werkzaamheden na overleg met het dagelijks bestuur en mede met het oog op het verkrijgen van de splitsingsvergunning zijn verricht, maakt dat niet anders.
Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat [wederpartij], anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 februari 2009 van het dagelijks bestuur alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009 in zaak nr. 09/1492;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. S.F.M. Wortmann, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Neuwahl
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010
280-640.