Uitspraak
200608492/1), is voor de beoordeling van de vraag of een huurder belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bepalend in hoeverre de splitsingsvergunning van invloed is op zijn woonsituatie.
Raad van State
Het dagelijks bestuur verleende vergunning aan een eigenaar om een pand te splitsen in drie appartementsrechten. Een huurder van een verdieping in het pand maakte bezwaar tegen deze splitsingsvergunning en werd door het bestuur niet als belanghebbende erkend. De rechtbank Amsterdam oordeelde echter dat de huurder wel belanghebbende was omdat de splitsingsvergunning leidde tot werkzaamheden in zijn woning die zijn woonsituatie wijzigden.
De Raad van State stelde in hoger beroep vast dat de verrichte werkzaamheden, zoals aan de laagspannings- en gasinstallatie, het vervangen van deuren en kozijnen en het brandwerend bekleden van leidingkokers, noodzakelijk waren om te voldoen aan het Bouwbesluit voor bestaande bouw en niet specifiek wijziging brachten in de woonsituatie van de huurder. Het enkele feit dat deze werkzaamheden in het kader van de splitsingsvergunning werden uitgevoerd, maakt dit niet anders.
Daarom oordeelde de Raad van State dat de huurder niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de huurder ongegrond verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt niet als belanghebbende erkend en het beroep tegen het besluit wordt ongegrond verklaard.