ECLI:NL:RVS:2010:BN1169
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Toerekening gehele straf aan drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf bij vreemdelingenbeleid
De staatssecretaris van Justitie stelde dat bij een veroordeling die meerdere strafbare feiten omvat, waarvan ten minste één een drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf betreft, de gehele straf aan dat specifieke misdrijf mag worden toegerekend voor de toepassing van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet. De rechtbank had dit niet erkend en oordeelde dat ook strafbare feiten die niet onder deze categorieën vielen, meegewogen moesten worden.
De Raad voor de Rechtspraak stelde vast dat uit het vonnis niet blijkt welk deel van de straf op welk strafbaar feit ziet, waardoor de staatssecretaris genoodzaakt is beleid te ontwikkelen dat de straf in haar geheel toerekent aan het drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf. Dit beleid is een restrictieve en categorale aanvulling op het vreemdelingenbeleid.
De door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden werden niet als voldoende afwijkend van dit uitgangspunt beschouwd. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de staatssecretaris in het gelijk werd gesteld.
De uitspraak bevestigt het standpunt dat bij gecombineerde veroordelingen de gehele straf mag worden toegerekend aan het drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf voor de toepassing van de Regeling, wat gevolgen heeft voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde en de verlening van verblijfsvergunningen.
Uitkomst: De gehele straf wordt toegerekend aan het drugs-, zeden- of geweldsmisdrijf voor toepassing van de Regeling, waardoor het beroep van de vreemdeling ongegrond wordt verklaard.