ECLI:NL:RVS:2010:BN1628
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.A.A. Mondt Schouten
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Herstel verzuim bij bezwaarschrift mvv-aanvraag niet correct toegepast door minister
De vreemdeling diende op 17 juli 2007 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Addis Abeba. Tegen de afwijzing van deze aanvraag werd op 1 juli 2008 een bezwaarschrift ingediend, dat echter op nader aan te vullen gronden was gebaseerd. De gemachtigde van de vreemdeling trok zich op 28 juli 2008 terug uit de zaak. De minister stuurde op 2 augustus 2008 een brief waarin werd aangegeven dat het bezwaarschrift niet compleet was en dat de gronden binnen twee weken aangevuld moesten worden, anders zou het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze brief werd echter niet aan de vreemdeling zelf, maar aan een referent gestuurd.
Omdat de gronden niet binnen de gestelde termijn werden aangevuld, verklaarde de minister op 5 september 2008 het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat dit onterecht was omdat de brief niet aan de vreemdeling was gericht en er geen bewijs was dat de referent gemachtigd was om namens de vreemdeling op te treden. Hierdoor was de vreemdeling niet in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen zoals vereist volgens artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad van State bevestigde deze uitspraak en oordeelde dat het hoger beroep van de minister kennelijk ongegrond was. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van correcte communicatie aan de juiste partij bij het herstel van verzuim in bezwaarprocedures.
Uitkomst: De minister heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep is ongegrond verklaard.