Uitspraak
200901869/1/H3), volgt uit het stelsel van de Wth dat de rechter, als het huisverbod nog geldt op de dag waarop hij zijn uitspraak doet, op grond van artikel 6, derde lid, van de Wth dient te bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren. De rechter heeft derhalve een eigen bevoegdheid om een opgelegd huisverbod op te heffen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechter bij de beoordeling of het gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren alleen feiten en omstandigheden mag betrekken die worden genoemd in artikel 2 van Pro het Bth en de daarbij behorende bijlage. Die bepaling is gericht tot de burgemeester en ziet bovendien alleen op situaties die zich voordoen op het moment van het opleggen van een huisverbod en niet op het al dan niet laten voortduren daarvan. Ook in de Wth is geen verband gelegd tussen de bevoegdheid van de burgemeester en die van de rechter tot het beëindigen van een huisverbod en het Bth. Anders dan de burgemeester betoogt, mag ook hij aan het beëindigen van een huisverbod andere dan de in de bijlage bij het Bth genoemde feiten en omstandigheden ten grondslag leggen.