Uitspraak
200809311/1) is de weigering een VOG af te geven een bestuursrechtelijk instrument dat een preventief doel dient en houdt dit, anders dan een vonnis van de strafrechter, niet het opleggen van een sanctie in. Voorts heeft de minister, door de registratie van het op 26 november 2008 gepleegde strafbare feit aan de weigering ten grondslag te leggen, geen oordeel gegeven over de vraag of [appellant] schuldig is aan het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en daarmee geen inbreuk gemaakt op artikel 6, tweede lid, van het EVRM. De vermelding van de registratie van dit strafbare feit in de justitiële documentatie biedt de minister, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2009 in zaak nr.
200901285/1), gelet op artikel 35, eerste lid, van de Wjsg, voldoende grondslag om een weigering, als bedoeld in deze bepaling, op te baseren. Het betoog dat de weigering van de VOG in strijd is met artikel 6, derde lid, van het EVRM faalt eveneens, gegeven het bestuursrechtelijke karakter van het besluit tot weigering een VOG af te geven. Het ter zitting in hoger beroep gevoerde betoog dat [appellant] op 16 juni 2010 vrijgesproken is van het hem ten laste gelegde feit kan evenmin tot het ermee beoogde doel leiden, nu deze vrijspraak geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het bij de rechtbank bestreden besluit, vanwege de in het bestuursrecht vereiste toetsing van besluiten naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit.