Uitspraak
200204721/1), heeft de minister bij de toepassing van artikel 10 van Pro de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. Dat [appellant] heeft deelgenomen aan de Regeling, op grond waarvan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend die niet aansluit op zijn eerdere verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt geen zeer bijzondere omstandigheid. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] zelf de keuze gemaakt om deel te nemen aan de Regeling. Het stond [appellant] vrij om de procedure ter verkrijging van de door hem aangevraagde verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd door te zetten in plaats van deel te nemen aan de Regeling. Dat de asielprocedure mogelijk niet zou hebben geleid tot vergunningverlening, maakt niet dat deelname aan de Regeling niet de eigen keuze van [appellant] was. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verblijfsgat dat als gevolg hiervan is ontstaan voor eigen rekening en risico van [appellant] dient te komen en dat geen aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 van Pro de RWN.