Uitspraak
200201751/1verklaard dat hij met het door hem geïnitieerde verzoek om handhaving tegen de aanwezigheid van de woning niet wenst dat de woning wordt afgebroken en evenmin vergoeding wenst van de schade die van de voortgezette bewoning door de vader het gevolg zou kunnen zijn. [appellant sub 1] kan aldus worden geacht te hebben berust in de situatie ter plaatse.
200702057/1[appellant sub 2] geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan aannemelijk is dat hij op de peildatum van het voorheen geldende bestemmingsplan permanent woonde op het perceel [locatie 3]. Het gebruik als woning viel derhalve niet onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Het toekennen van een woonbestemming in dit plan acht het college voor dit perceel niet aan de orde nu het gemeentelijke en het provinciale beleid erop zijn gericht om in het landelijk gebied verstening tegen te gaan.
200702057/1heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank terecht in het in beroep aangevoerde geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders van Woerden zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de berging op het tijdstip van rechtskracht verkrijgen van het (voorheen geldende) bestemmingsplan permanent werd bewoond.