Uitspraak
200700459/1geoordeeld dat de gestelde omstandigheid dat sprake is van een voortzetting van een bestaand agrarisch bedrijf, wat daarvan zij, niet relevant is, aangezien ook in dat geval het in artikel 11 van Pro de planvoorschriften gestelde vereiste van een naar aard en omvang volwaardig bedrijf geldt. In hetgeen in de onderhavige procedure door [appellante] is aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor een ander oordeel. Niet in geschil is dat het bedrijf van de [voormalige eigenaar] ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan aan de eis van volwaardigheid voldeed. De stelling dat de bedrijfsresultaten van [appellante] beter zijn dan die onder [voormalige eigenaar] werden gerealiseerd, wat daarvan zij, is niet onderbouwd met financiële gegevens. Ook overigens heeft [appellante] haar stelling dat thans sprake is van een naar aard en omvang volwaardig agrarisch bedrijf niet met stukken onderbouwd. Voorts heeft [appellante] ter zitting te kennen gegeven na de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2007 haar bedrijf in dezelfde aard en omvang te hebben voortgezet als voordien en geen wezenlijke veranderingen in de bedrijfsvoering te hebben aangebracht. De gestelde omstandigheid dat [appellante] alle inventaris, machines en installaties en plantgoed, kunstmest en overige benodigdheden van [voormalige eigenaar] heeft overgenomen, biedt evenmin grond voor het oordeel dat ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar sprake was van een volwaardig agrarisch bedrijf. Ten slotte faalt het beroep van [appellante] op de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2005 in zaaknr.
200405274/1, reeds omdat in de onderhavige zaak geen sprake is van een hervatting van het gebruik van het perceel ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf.