ECLI:NL:RVS:2010:BN3386
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling faalt in beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bescherming tegen huiselijk geweld in Turkije
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State onderzocht of de vreemdeling in Turkije bescherming kon krijgen tegen huiselijk geweld. Uit een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken bleek dat Turkije maatregelen neemt tegen huiselijk geweld, waaronder circulaires, campagnes en training van politie. De vreemdeling had in 2002 meldingen gedaan bij de politie, maar daarna niet meer om bescherming gevraagd, ook niet toen zij naar Ankara was uitgeweken.
De Raad oordeelde dat het niet aannemelijk was dat het vragen om bescherming zinloos zou zijn geweest. Het arrest van het EHRM in de zaak Opuz tegen Turkije, waarin Turkse autoriteiten tekortschoten, leidde niet tot een ander oordeel. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.