ECLI:NL:RVS:2010:BN3704

Raad van State

Datum uitspraak
11 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200909861/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • C.J.M. Schuyt
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet tijdig nemen besluiten bouwvergunning

De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch waarin het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning ongegrond werd verklaard. Het college van burgemeester en wethouders van Lith had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen belang was bij inhoudelijke behandeling nadat alsnog besluiten waren genomen.

Appellant stelde dat hij wel degelijk belang had vanwege geleden vertragingsschade, maar de Afdeling oordeelde dat dit belang niet aannemelijk was gemaakt. Het college had de benodigde stukken pas in juni 2007 ontvangen, waarna het ontwerpbesluit zes weken ter inzage lag en de verklaring van geen bezwaar pas in januari 2008 werd verleend, waarna de vergunningen werden afgegeven.

Verder faalde het betoog dat appellant onterecht niet was gehoord, omdat hij zelf had aangegeven geen hoorzitting te wensen. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200909861/1/H1.
Datum uitspraak: 11 augustus 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], gevestigd en wonend te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 5 november 2009 in zaak nr. 09/1950 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lith.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2009 heeft het college beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten omtrent door hem ingediende aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve van het uitbreiden en vernieuwen van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Lith (hierna: het perceel). Hierbij heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2009, verzonden op 6 november 2009, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 januari 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2010, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.L. Brauwers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] heeft bij brief van 10 december 2007 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van besluiten op zijn aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan dat ziet op het uitbreiden en vernieuwen van een bedrijfsruimte op het perceel. Bij besluiten van 29 januari 2008 en 13 februari 2008 heeft het college respectievelijk vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwplan. Het college heeft vervolgens het bezwaar, vanwege het ontbreken van een belang bij een inhoudelijke beoordeling daarvan, niet-ontvankelijk verklaard.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij nog een belang had bij een inhoudelijke behandeling door het college van het door hem gemaakte bezwaar tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten omtrent zijn aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning ten behoeve van het bouwplan met het oog op geleden (vertragings)schade.
2.2.1. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit gelijk gesteld met het nemen van een besluit. Met dit artikel is beoogd een procedureel middel te geven om het bestuursorgaan tot besluitvorming te bewegen. Indien, zoals in deze zaak, hangende het bezwaar alsnog een reëel besluit is genomen, is dit doel verwezenlijkt en is er in beginsel geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van de besluiten op de aanvragen om vrijstelling en bouwvergunning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 december 2004 in zaak nr.
200404708/1), kan in de stelling dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming evenwel op zichzelf een processueel belang worden gevonden. Wel is dan vereist dat de schade tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt.
2.2.2. Door het college is onweersproken gesteld dat het pas op 29 juni 2007 alle benodigde stukken om de vrijstellingsprocedure in gang te kunnen zetten van [appellant] had ontvangen. Vervolgens heeft vanaf 23 juli 2007 het ontwerpbesluit zes weken ter inzage gelegen en is door het college op 18 september 2007 een verzoek om verlening van een verklaring van geen bezwaar bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingediend. Het college van gedeputeerde staten heeft de voor de verlening van vrijstelling vereiste verklaring van geen bezwaar pas op 15 januari 2008 verleend, waarna het college bij besluit van 29 januari 2008 de vrijstelling en bij besluit van 13 februari 2008 de bouwvergunning heeft verleend. Deze omstandigheden in aanmerking genomen heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen begin van bewijs is aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat [appellant] als gevolg van de handelswijze en besluitvorming van het college schade heeft geleden.
Het betoog faalt.
2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college er ten onrechte van heeft afgezien hem te horen in bezwaar, faalt eveneens. In een brief van [appellant] aan het college van 12 februari 2009 heeft hij te kennen gegeven een hoorzitting niet nodig te achten. Derhalve heeft het college, ingevolge het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb, van het horen kunnen afzien.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Dorst
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010
17-552-357.