Uitspraak
200601720/1) verdragen, naast zelfstandige bewoningen door een gezin, ook minder traditionele woonvormen zich met een woonbestemming, indien daarbij sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen kende appellant een vergoeding van planschade toe wegens vrijstellingen voor de realisering van een woonzorgcomplex. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit dat zijn vergoeding beperkte, waarna de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaarde. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat voor de beoordeling van planschade moet worden vastgesteld of sprake is van een wijziging in het planologisch regime die leidt tot een nadelige positie en schade voor de aanvrager. De rechtbank had een deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) gevolgd, waarin werd geconcludeerd dat het gebruik als woonzorgcomplex geen planologisch nadeel oplevert.
De Afdeling stelde echter vast dat het woonzorgcomplex niet valt onder de woonbestemming zoals bedoeld, omdat de bewoners permanente zorg behoeven en er geen sprake is van nagenoeg zelfstandige bewoning. Het college had dit standpunt niet voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit, waardoor het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 7:12 Awb Pro. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college over de planschadevergoeding wordt vernietigd wegens gebrekkige motivering en het college moet een nieuw besluit nemen.