ECLI:NL:RVS:2010:BN4037

Raad van State

Datum uitspraak
5 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200904213/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • H. Troostwijk
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 28 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verblijfsvergunning asiel ondanks verleende machtiging voorlopig verblijf

De ouders van de vreemdeling dienden op 8 mei 2006 een verzoek in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel dat de vreemdeling bij hen zou verblijven op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. De minister van Buitenlandse Zaken gaf op 29 september 2006 aan dat een aanvraag om een mvv in beginsel zou worden ingewilligd. De vreemdeling reisde op 4 april 2007 met een mvv Nederland binnen en diende op 24 april 2007 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat de vreemdeling niet voldeed aan de voorwaarden voor een afgeleide verblijfsvergunning, onder meer omdat hij niet voldoende afhankelijk was van een vreemdeling met een verblijfsvergunning op grond van de relevante gronden en omdat het verzoek om mvv te laat was ingediend. De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen aan de verleende mvv en dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het beroep gegrond werd verklaard.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in, maar de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad overwoog dat het vertrouwen in de mvv gerechtvaardigd was, tenzij onjuiste gegevens waren verstrekt, wat niet het geval was. Ook maakte het feit dat het om een verblijfsvergunning asiel ging geen verschil. De grieven van de staatssecretaris faalden, het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. De minister van Justitie werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200904213/1/V2.
Datum uitspraak: 5 augustus 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Groningen, (hierna: de rechtbank) van 11 mei 2009 in zaak nr. 07/48025 in het geding tussen:
[de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling)
en
de staatssecretaris.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 mei 2009, verzonden op 13 mei 2009, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 10 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven en in onderlinge samenhang bezien, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling, gelet op paragraaf B1/1.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), aan de omstandigheid dat hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) is verleend, het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat hem, behoudens gewijzigde omstandigheden, na aankomst in Nederland een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) zou worden verleend en dat vanwege dit vertrouwen de staatssecretaris het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in strijd met het gevoerde beleid heeft genomen door daarbij niet te motiveren waarom sprake is van een uitzonderlijk geval als bedoeld is in dat beleid.
Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de voormelde paragraaf van de Vc 2000 ziet op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en niet op aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bovendien, zo stelt de staatssecretaris, kan van een gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake zijn, nu het vereiste dat de onderhavige vergunning slechts kan worden verleend, indien de aanvrager binnen drie maanden de hoofdpersoon is nagereisd, nadat aan deze een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 is verleend, in een wettelijke bepaling is vastgelegd.
2.2. Op 8 mei 2006 hebben de ouders van de vreemdeling een verzoek om advies voor afgifte van een mvv ingediend met als doel dat de vreemdeling bij hen gaat verblijven op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Bij brief van 29 september 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken bericht dat indien door de vreemdeling een aanvraag om een mvv wordt ingediend deze in beginsel wordt ingewilligd. De vreemdeling is op 4 april 2007 met een mvv Nederland ingereisd en heeft op 24 april 2007 de onderhavige aanvraag ingediend.
2.3. De staatssecretaris heeft zich in het in het besluit ingelaste voornemen van 10 oktober 2007, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een afgeleide verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, omdat de vreemdeling niet als partner of als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van een vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van één van de gronden a tot en met d van voormeld artikel, dat hij om die reden behoort tot het gezin van die vreemdeling en omdat hij het verzoek om een mvv eerst zes maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan de overige gezinsleden heeft ingediend.
2.4. In de hiervoor genoemde brief van 29 september 2006 heeft de minister van Buitenlandse Zaken bericht dat hij, gelet op de overgelegde gegevens en bescheiden, van oordeel is dat aan de toelatingsvoorwaarden is voldaan en dat indien door de vreemdeling een aanvraag om een mvv wordt ingediend deze in beginsel zal worden verleend indien zich geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.
2.5. Nu de vreemdeling met een mvv Nederland is ingereisd, moet, gelet op de inhoud van voornoemde brief van 29 september 2006, worden aangenomen dat ten tijde van het verlenen daarvan is onderzocht en vastgesteld dat aan de ter zake van het beoogde verblijfsdoel gestelde voorwaarden is voldaan en dat er geen andere redenen waren die zich verzetten tegen verlening van de gevraagde mvv. Gelet daarop mocht de vreemdeling er op vertrouwen dat hem bij gelijkblijvende omstandigheden een verblijfsvergunning voor het doel waarvoor de mvv is afgegeven zou worden verleend. Dat zou in een geval als het onderhavige anders zijn indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv. Nu daarvan uit het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen niet blijkt en daarin slechts feiten en omstandigheden zijn tegengeworpen die reeds bekend waren of bekend konden zijn ten tijde van het verlenen van de mvv, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dat de aanvraag een verblijfsvergunning asiel betreft, maakt dit niet anders. Ook een vreemdeling die, zoals in dit geval, verblijf beoogt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, heeft op grond van paragraaf C10/4 van de Vc 2000 de mogelijkheid om daartoe eerst een mvv aan te vragen.
De grieven falen.
2.6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. De staatssecretaris, thans de minister van Justitie, dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Van Loo
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2010
314-638.
Verzonden: 5 augustus 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser