ECLI:NL:RVS:2010:BN4285

Raad van State

Datum uitspraak
18 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201001902/1/H2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • T.M.A. Claessens
  • J.A. Hagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WbrArt. 2 WbrArt. 3 WbrArt. 1:2 AwbArt. 18 Veilingwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning voor servicestation op grensemplacement Rijksweg A67 te Venlo

Bij besluit van 10 september 2008 verleende de minister aan Routiers Restaurants E.P.A. B.V. een vergunning voor het maken en behouden van een servicestation op het grensemplacement aan de Rijksweg 67 nabij km 75,000 in de gemeente Venlo. Diverse appellanten, exploitanten van benzineverkooppunten binnen hetzelfde verzorgingsgebied, maakten bezwaar tegen deze vergunning.

De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of de vergunningverlening in strijd was met de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr), de Kennisgeving voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen, en de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (Veilingwet).

De Raad overwoog dat het servicestation een direct verband heeft met de functie van de rijksweg en de verzorgingsplaats en daarmee het doelmatig en veilig gebruik van het waterstaatswerk dient. Het argument dat de parkeercapaciteit onvoldoende zou zijn, werd verworpen aangezien de herinrichting van het emplacement het aantal parkeerplaatsen heeft vergroot en eerdere vergunningen voor een wegrestaurant onherroepelijk zijn.

Ook werd vastgesteld dat er voorafgaand aan de Kennisgeving al een basisvoorziening aanwezig was, waardoor het servicestation niet in strijd is met de Kennisgeving. Ten aanzien van de Veilingwet oordeelde de Raad dat de minister niet in strijd met rechtszekerheid heeft gehandeld, omdat op voorhand aannemelijk was dat een benzineverkooppunt mocht worden gevestigd.

De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vergunningverlening voor het servicestation en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

201001902/1/H2.
Datum uitspraak: 18 augustus 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],
3. [appellante sub 3] gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 januari 2010 in zaken nrs. 09/710 en 09/879 in het geding tussen:
appellanten (hierna: [appellante sub 1] e.a.)
en
de minister van Verkeer en Waterstaat.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 september 2008 heeft de minister aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Routiers Restaurants E.P.A. B.V. onder voorschriften vergunning verleend voor het maken en behouden van een servicestation op het grensemplacement aan de noordzijde van de Rijksweg 67 nabij km 75,000 in de gemeente Venlo.
Bij besluit van 3 april 2009 heeft de minister de door [appellante sub 1] e.a. daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard voor zover in het besluit van 10 september 2010 is opgenomen dat er een concessie voor een servicestation is en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] e.a. daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] e.a. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2010, hoger beroep ingesteld. [appellante sub 1] e.a. hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 22 maart 2010.
EPA heeft een reactie ingediend.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2010, waar [appellante sub 1] e.a., vertegenwoordigd door mr. L.P.W. Mensink en mr. G.C.F. van Gelder, beiden advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.M.T.J. van Zandvoorts, mr. J.P. Gerits, R.A. Peters en J.P.W.M. van Weert, allen werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting EPA, vertegenwoordigd door mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo, en [belanghebbenden], als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder waterstaatswerken: bij het Rijk in beheer zijnde wateren, waterkeringen en wegen alsmede, voor zover in beheer bij het Rijk, de daarin gelegen kunstwerken en hetgeen verder naar hun aard daartoe behoort.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het is verboden zonder vergunning van de minister gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd:
a. daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden;
b. daarin, daaronder of daarop vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.
Ingevolge het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan weigering, wijziging of intrekking van een vergunning, alsmede toepassing van de artikelen 2, tweede lid, en 6 slechts geschieden ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.
In de Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (hierna: de Kennisgeving; Strct. 2004, 56), dat het kader vormt voor voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen, is vermeld dat op verzorgingsplaatsen met alleen een parkeerplaats geen basis- en aanvullende voorzieningen zullen worden toegestaan omdat dergelijke voorzieningen om de circa 20 kilometer volstaan.
Tevens is vermeld dat bij basisvoorzieningen voldoende parkeerruimte aanwezig dient te zijn.
2.2. Niet in geschil is dat [appellante sub 1] e.a., binnen een afstand van 4 en 10 kilometer van het grensemplacement benzineverkooppunten exploiteren. Omdat [appellante sub 1] e.a. aldus in hetzelfde verzorgingsgebied opereren en de bedrijfsactiviteiten in grote mate samenvallen met die van EPA, hebben [appellante sub 1] e.a. een zodanig bijzonder, individueel belang bij het bestreden besluit, dat zij belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. [appellante sub 1] e.a. betogen in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aan EPA verleende vergunning niet in strijd is met de in artikel 3, eerste lid, van de Wbr neergelegde eis dat sprake moet zijn van een doelmatig en veilig gebruik van, in dit geval, de rijksweg A67 en het aan die weg gelegen grensemplacement.
2.3.1. Het servicestation heeft een direct verband met de functie van de rijksweg en de verzorgingsplaats, als omschreven in de Richtlijnen voor het ontwerp van verzorgingsplaatsen langs autosnelwegen van mei 1988 en de Kennisgeving, namelijk het faciliteren van het lange afstandsverkeer en de goede verzorging van mens en voertuig gedurende de reis met het oog op de verkeersveiligheid. Aldus strekt de vestiging van het servicestation op het grensemplacement langs de rijksweg A67 in beginsel ter verzekering van een doelmatig en veilig gebruik van die waterstaatswerken. De stelling van [appellante sub 1] e.a. dat het gebrek aan parkeerplaatsen op het grensemplacement door realisering van het servicestation niet kan worden opgeheven en zelfs zal verergeren door de verkeersaantrekkende werking van het servicestation, leidt niet tot het oordeel dat een servicestation niet-doelmatig moet worden geacht. Bij de herinrichting van het grensemplacement is het aantal parkeerplaatsen toegenomen van omstreeks vijfentachtig tot honderdentien. EPA en de minister hebben aannemelijk gemaakt dat de herinrichting van het grensemplacement zonder servicestation niet had kunnen leiden tot een significante toename van het aantal parkeerplaatsen op het emplacement. Daarbij is van belang dat de minister bij besluit van 12 juni 2006 aan EPA op grond van de Wbr vergunning heeft verleend voor het maken en behouden van een weggebonden restaurant. Deze vergunning ten behoeve van vervanging van de oude restauratieve voorziening is reeds in rechte onaantastbaar, zodat de mogelijke verkeersaantrekkende werking van het nieuwe wegrestaurant en als gevolg daarvan een verhoging van de parkeerdruk op het grensemplacement om die reden niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling van de onderhavige vergunning. Dat het gebruik van het gehele voormalige grensemplacement als parkeerruimte het meest doelmatig en veilig gebruik zou zijn, doet, wat daarvan ook zij, niet af aan het voorgaande aangezien een dergelijk criterium voor vergunningverlening niet uit de wet voortvloeit.
2.4. Voorts stellen [appellante sub 1] e.a. dat er ten tijde van de Kennisgeving geen basisvoorziening aanwezig was op het grensemplacement, zodat het verlenen van de vergunning in strijd is met de Kennisgeving.
2.4.1. EPA heeft, onbestreden door [appellante sub 1] e.a., gesteld dat zij voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Kennisgeving een voorziening met restauratieve functie exploiteerde met ongeveer tachtig zitplaatsen waar onder meer warme maaltijden werden geserveerd. Anders dan [appellante sub 1] e.a. betogen, is daarmee komen vast te staan dat op het grensemplacement een basisvoorziening aanwezig was. Nu volgens de Kennisgeving op rustplaatsen met een basisvoorziening een servicestation is toegestaan, bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat de aan EPA verleende vergunning in strijd is met de Kennisgeving.
Gelet op hetgeen is overwogen in punt 2.3.1 kan het betoog dat een servicestation in strijd is met de Kennisgeving omdat er onvoldoende parkeergelegenheid is niet slagen.
2.5. [appellante sub 1] e.a. betogen verder dat de rechtbank er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de vestiging van een benzinestation op het grensemplacement in strijd is met de Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen (hierna: de Veilingwet) en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister door de vergunning te verlenen niet heeft gehandeld in strijd met de rechtszekerheid.
2.5.1. Dat de vestiging van een benzineverkooppunt op het grensemplacement in strijd is met de Veilingwet, wat daarvan ook zij, betekent, gelet op het beperkte beoordelingskader van de Wbr, niet dat de minister handelt in strijd met de rechtszekerheid door de vergunning aan EPA te verlenen. Dat neemt niet weg dat de minister geen vergunning had kunnen verlenen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Veilingwet aan de uitvoerbaarheid van de vergunning in de weg staat. Er bestaat evenwel, gelet op de in artikel 18 van Pro de Veilingwet opgenomen overgangsbepaling, geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de toepasselijke bepalingen van die wet aan het verlenen van de vergunning in de weg staan, nu op grond van de stukken voldoende aannemelijk is dat voor inwerkingtreding van de Veilingwet aan EPA van bevoegde zijde is toegezegd dat zij een benzineverkooppunt mocht vestigen op het grensemplacement.
2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2010
362.