ECLI:NL:RVS:2010:BN4913

Raad van State

Datum uitspraak
19 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201004666/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • M. Vogel-Carprieaux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Doetinchemseweg 9 te Loerbeek

De raad van de gemeente Montferland stelde op 25 februari 2010 het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Doetinchemseweg 9 te Loerbeek' vast, waarbij het perceel de bestemming 'Recreatie' kreeg, bedoeld voor een huifkarcentrum, ondersteunende horeca en een zorgboerderij.

Verzoekers, waaronder [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], dienden op 11 mei 2010 beroep in tegen dit besluit en vroegen tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om het gebruik van het perceel conform het bestemmingsplan te voorkomen zolang de bodemprocedure loopt.

Tijdens de zitting op 30 juli 2010 verschenen partijen, waaronder ook het Huifkarcentrum vertegenwoordigd door de eigenaar en diens advocaat. De voorzitter overwoog dat het voortzetten van het gebruik geen onomkeerbare situatie creëert, omdat bij vernietiging van het bestemmingsplan alsnog kan worden opgetreden tegen het gebruik dat niet past binnen het planologisch regime.

Daarom ontbrak het aan een spoedeisend belang dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek werd afgewezen zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestemmingsplan Doetinchemseweg 9 te Loerbeek is afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

201004666/2/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker A] en anderen, wonend te [woonplaats],
en
de raad van de gemeente Montferland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 25 februari 2010 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Doetinchemseweg 9 te Loerbeek" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [verzoeker A], [verzoeker B] en [verzoeker C], bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2010, beroep ingesteld. Bij brief, binnengekomen op dezelfde datum, hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juli 2010, waar [verzoeker B] en [verzoeker C], bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door L. Bosch en mr. J. Broekman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [Huifkarcentrum], vertegenwoordigd door [eigenaar], bijgestaan door mr. L. Koers, advocaat te Arnhem, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. [verzoeker A] en anderen richten zich tegen het plan waarin aan het perceel aan de Doetinchemseweg 9 de bestemming "Recreatie" is toegekend, die voorziet in het gebruik van de gronden en de daar reeds aanwezige bebouwing voor een huifkarcentrum, ondersteunende horeca en een zorgboerderij. Zij vrezen overlast te ondervinden van dit gebruik en willen met het verzoek om voorlopige voorziening voorkomen dat bedoeld gebruik legitiem kan worden uitgeoefend voordat uitspraak kan worden gedaan in de bodemprocedure.
2.3. Het feit dat hangende de beroepsprocedure bij de Afdeling het gebruik van de gronden als huifkarcentrum met ondersteunende horeca en als zorgboerderij wordt voortgezet, brengt geen onomkeerbare situatie met zich. Tegen dat gebruik dat na de inwerkingtreding van een bestemmingsplan daarmee in overeenstemming is kan immers, indien het besluit tot vaststelling van het plan wordt vernietigd, worden opgetreden indien dat gebruik niet in overeenstemming is met het planologisch regime dat na de vernietiging geldt. De inwerkingtreding van het plan leidt in zoverre niet tot een juridisch onomkeerbare situatie. Gelet hierop is de voorzitter van oordeel dat met het verzoek geen spoedeisend belang is gemoeid dat rechtvaardigt dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Vogel-Carprieaux
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2010
458.