Uitspraak
200704739/1, heeft de Afdeling het eerder door de minister genomen besluit op het bezwaar van de stichting tegen verlening van de vergunning vernietigd. Daarbij heeft zij onder meer het volgende overwogen:
Raad van State
Bij besluit van 2 november 2006 verleende de minister een vergunning aan de Coöperatieve Producentenorganisatie van de Nederlandse Kokkelvisserij voor een proef met het kweken van kokkels in de Westerschelde en Oosterschelde. De vergunning omvatte het opvissen van kokkelbroed en kleine kokkels op specifieke locaties en beperkte oppervlaktes.
Stichting de Faunabescherming maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde onder meer dat de proef onvoldoende begrensd was, dat de effecten op het ecosysteem en de voedselvoorraad van beschermde vogelsoorten onvoldoende waren onderzocht, en dat het begrip "vrije beschikking" van de kokkels op de kweekpercelen onvoldoende was beperkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vergunningvoorschriften voldoende duidelijk zijn over de locaties, oppervlaktes en hoeveelheden kokkels die mogen worden opgevist. De Afdeling vond dat de minister aannemelijk heeft gemaakt dat de proef de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, mede door de beperkte schaal, de voorschriften over vistuig en voedselreservering voor vogels. Ook het onderzoeksplan werd als toereikend beoordeeld.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de vergunningverlening. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van Stichting de Faunabescherming tegen de vergunning voor de kokkelkweekproef wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft van kracht.