AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vergoeding reisafstand rechtsbijstand op basis van AND-routeplanner
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het beroep ongegrond verklaarde tegen een besluit van de raad voor rechtsbijstand. De raad had een vergoeding vastgesteld voor door appellante verleende rechtsbijstand op basis van een toevoeging volgens de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
Appellante voerde aan dat de raad ten onrechte de AND-routeplanner gebruikte voor het berekenen van de reisafstand, omdat deze niet de meest efficiënte route zou berekenen zoals voorgeschreven in het Handboek Vergoedingen. Zij stelde dat andere routeplanners een betere benadering geven en dat de gebruikte routeplanner een onjuist aantal kilometers berekende, wat leidde tot een lagere vergoeding.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de raad een recente versie van de AND-routeplanner gebruikte en dat volgens eerdere rechtspraak het gebruik van deze routeplanner is toegestaan. Verschillen tussen routeplanners zijn niet ongebruikelijk en appellante had niet aannemelijk gemaakt dat de routeplanner een onjuiste afstand berekende of dat de wijzigingen in de routeplanner vóór het besluit van 17 november 2008 plaatsvonden.
Ook het argument dat het gebruik van de routebeschrijving gevaar oplevert voor appellante werd verworpen, omdat zij vrij is haar eigen route te kiezen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de vergoeding op basis van de AND-routeplanner bevestigd.
Uitspraak
201002018/1/H2.
Datum uitspraak: 1 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudende te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2010 in zaak nr. 09/106 in het geding tussen:
[appellante]
en
de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (thans: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2008 heeft de raad een vergoeding vastgesteld voor door [appellante] op grond van een toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), verleende rechtsbijstand.
Bij besluit van 17 november 2008 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij fax, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2010, hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 augustus 2010, waar [appellante] in persoon is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.
Ingevolge het tweede lid omvat de vergoeding mede de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen overige kosten die verband houden met de verlening van rechtsbijstand alsmede de omzetbelasting die over de vergoeding is verschuldigd.
Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder a, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld met betrekking tot het bedrag van de vergoeding en de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.
Ingevolge artikel 24, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000), voor zover thans van belang, wordt voor het tijdverlet in verband met reizen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand in een andere zaak dan een piketzaak, uitgaande van de totale afstand die is afgelegd bij reizen naar de zitting en naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, per volle gereisde 60 kilometer een halve punt toegekend.
Ingevolge het vierde lid wordt de reisafstand op gestandaardiseerde wijze bepaald.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt, voor de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de zitting, alsmede naar rechtzoekenden wier vrijheid is ontnomen of beperkt, een kilometervergoeding toegekend overeenkomstig de vergoeding die krachtens artikel 8 vanPro het Reisbesluit binnenland wordt verleend.
Ingevolge het vierde lid wordt ten behoeve van de berekening van de kilometervergoeding de reisafstand op gestandaardiseerde wijze bepaald.
2.1.1. In de nota van toelichting bij het Bvr 2000 is in de toelichting op artikel 25 (Stb. 1999, 580, blz. 35-36) vermeld dat de raad voor het berekenen van de gereisde afstand een computerprogramma gebruikt. In het als beleidsregel geldende Handboek Vergoedingen (versie januari 2006) is bij artikel 25 vermeldPro dat de raad te dezen gebruik maakt van een recente routeplanner en dat bij het berekenen van het aantal gereden kilometers wordt uitgegaan van de meest efficiënte route waarbij de postcode van het kantooradres en de postcode van de plaats van bestemming bepalend zijn.
2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad, bij het berekenen van de reiskosten en de kosten voor tijdverlet in het kader van de vaststelling van de vergoeding voor door haar op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand, gebruik heeft mogen maken van de AND-routeplanner voor het berekenen van de reisafstand. Zij voert daartoe - samengevat - aan dat de AND-routeplanner niet uitgaat van de meest efficiënte route, zoals het Handboek Vergoedingen voorschrijft, en dat op basis daarvan minder kilometers zijn berekend en vergoed dan zij daadwerkelijk heeft gereden. Twee andere routeplanners komen volgens [appellante] tot een betere benadering. Volgens [appellante] volgt uit eerdere rechtspraak niet dat de raad verplicht is van de AND-routeplanner gebruik te maken, maar slechts dat dit in de aan de orde zijnde gevallen mocht. Dat ligt in dit geval anders omdat de uitkomst van deze routeplanner aantoonbaar onjuist is, aldus [appellante].
[appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de AND-routeplanner inmiddels is veranderd en zij daardoor ten tijde van de beroepsprocedure wel voor een hogere vergoeding in aanmerking zou komen, niet tot het oordeel kan leiden dat het bestreden besluit onrechtmatig is, omdat de raad het besluit op bezwaar heeft genomen aan de hand van de routeplanner die gold ten tijde van dat besluit. Volgens [appellante] heeft zij reeds in de bezwaarfase aangevoerd dat de AND-routeplanner niet correct is en ter staving daarvan een berekening van twee andere routeplanners aan de raad overgelegd.
2.2.1. De Afdeling heeft eerder overwogen (in de uitspraak van 14 mei 2003 in zaak nr. 200205764/1, evenals in de door de rechtbank vermelde uitspraken van 28 december 2005 in zaak nr. 200504042/1en 16 april 2008 in zaak nr. 200707460/1), dat de raad een recente AND-routeplanner mocht gebruiken voor het berekenen van de reisafstand. In deze zaak heeft de raad gebruik gemaakt van een recente routeplanner en is bij het berekenen van het aantal gereden kilometers uitgegaan van de meest efficiënte route volgens die planner. Daarmee is aan het uit het Bvr 2000 voortvloeiende vereiste, zoals nader ingevuld met het beleid, voldaan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de raad de AND-routeplanner heeft mogen gebruiken voor het berekenen van de reisafstand. Dat het gebruik van andere routeplanners tot een ander resultaat leidt, kan, zoals de Afdeling ook heeft overwogen in de uitspraak van 14 mei 2003, hieraan op zichzelf niet afdoen. Verschillen in routes tussen routeplanners zijn niet ongebruikelijk. Voor een ander oordeel kan niettemin aanleiding zijn, indien verschillende routeplanners bij exact dezelfde route tot een andere afstand komen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordeed.
Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat de door haar in beroep gesignaleerde wijzigingen in de AND-routeplanner vóór het nemen van het besluit van 17 november 2008 hebben plaatsgevonden. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat de door de raad bij zijn besluitvorming gehanteerde versie van de AND-routeplanner voor de daaruit voortvloeiende route een onjuist aantal kilometers heeft berekend. De raad heeft daarom bij het vaststellen van de vergoeding uit kunnen gaan van de door de AND-routeplanner berekende reisafstand, zoals vermeld in het besluit van 17 november 2008.
Het betoog van [appellante] dat het gebruik van de AND-routeplanner gevaar oplevert voor haar en haar medeweggebruikers doordat zij tijdens het rijden continu op de schriftelijke routebeschrijving van de AND-routeplanner zou moeten kijken, gaat niet op. [appellante] is immers niet verplicht de route van de AND-routeplanner te volgen, nu deze slechts dient voor het op gestandaardiseerde wijze bepalen van de reisafstand in verband met de berekening van de vergoeding. Het staat haar verder vrij de route te nemen waaraan zij de voorkeur geeft.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.