Uitspraak
200705534/1). Voorts is ter zitting gebleken dat de voorziene windturbines reeds konden worden gebouwd op grond van een verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de WRO. Onder die omstandigheden ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat de raad en het college van gedeputeerde staten bij de vaststelling respectievelijk de goedkeuring van dit plandeel in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van hetgeen deze vrijstelling mogelijk maakte.