AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking bouwvergunning wegens niet tijdig starten bouwwerkzaamheden
Het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen verleende op 30 augustus 2004 een bouwvergunning voor het oprichten van een schuur. Op 5 februari 2009 trok het college deze vergunning in omdat binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning geen begin was gemaakt met de bouwwerkzaamheden. De aanvrager stelde dat de aanwezigheid van een muur op eigen grond de bouw onmogelijk maakte en dat het college ten onrechte de intrekking had toegestaan.
De rechtbank Almelo verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en vernietigde het besluit van het college tot afwijzing van het bezwaar, maar handhaafde de rechtsgevolgen van de intrekking. De aanvrager ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was de vergunning in te trekken en dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering bestond die het starten van de bouw onmogelijk maakte.
De Raad van State bevestigde dat het college in redelijkheid tot het besluit kon komen, mede omdat geen privaatrechtelijke procedure was gevoerd tegen de muur en het niet aannemelijk was dat de bouw niet kon worden uitgevoerd met de muur in stand. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het college de bouwvergunning terecht heeft ingetrokken wegens het niet starten van de bouwwerkzaamheden binnen de gestelde termijn.
Uitspraak
201001622/1/H1.
Datum uitspraak: 1 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 december 2009 in zaak nr. 09/708 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2009 heeft het college de bij besluit van 30 augustus 2004 aan [appellant] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een schuur op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) ingetrokken.
Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 december 2009, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juni 2009 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 februari 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Door [appellant] zijn nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C. Lubben, en het college, vertegenwoordigd door I.R.M. Kuipers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a van de Bouwverordening 2007, van de gemeente Tubbergen, kunnen burgemeester en wethouders op grond van het gestelde in artikel 59 vanPro de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt.
2.2. Het college heeft bij besluit van 30 augustus 2004 aan [appellant] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een schuur ter vervanging van een bestaande schuur op het perceel. Vast staat dat op het moment van intrekking geen begin met de bouwwerkzaamheden was gemaakt en op dat moment een periode langer dan 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning was verstreken, zodat het college bevoegd was de bouwvergunning in te trekken.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid de bouwvergunning in te trekken. Hij betoogt daarbij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vertraging van de bouw hem toe te rekenen is. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de aanwezigheid van een muur tussen het perceel en het perceel [locatie 2] de uitvoering van de bouwwerkzaamheden onmogelijk maakt. De muur staat op grond in eigendom van [appellant], op een plaats waar een gedeelte van het bouwwerk is voorzien, zo stelt hij. Hij voert aan dat hij erop heeft kunnen vertrouwen dat de muur zou worden verwijderd naar aanleiding van het besluit van het college van 16 november 2005, waarin de toenmalige eigenaar van het perceel [locatie 2] naar aanleiding van een verzoek om handhaving van [appellant] is aangeschreven een overkapping, waarvan de muur onderdeel uitmaakt, te verwijderen en verwijderd te houden. Voorts voert hij aan dat aangaande het besluit van het college van 9 juli 2008, waarbij is geweigerd handhavend op te treden wat betreft de muur, een beroep bij de rechtbank aanhangig is.
2.3.1. Uit jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 7 april 2010, in zaak nr. 200905372/1) volgt dat de intrekking van een bouwvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid is. De beslissing om al dan niet een bouwvergunning in te trekken op grond van artikel 59 vanPro de Woningwet behoort tot de bevoegdheden van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 24 mei 2006 (zaak nr. 200504650/1) moeten bij hantering van de bevoegdheid tot intrekken van een bouwvergunning alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren naast de door het college gestelde belangen ook de (financiële) belangen van vergunninghouder. In dat kader dient tevens de vraag te worden beantwoord of het niet tijdig gebruik maken van de bouwvergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen.
Zoals de Afdeling ten slotte heeft overwogen in de uitspraak van 4 april 2007 (zaak nr. 200604605/1) kunnen feitelijke en privaatrechtelijke omstandigheden, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van de bouwvergunning, relevante belangen zijn bij de hantering van de bevoegdheid tot intrekken van een bouwvergunning. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat voor het oordeel dat van een privaatrechtelijke belemmering als hier bedoeld sprake is, slechts aanleiding bestaat wanneer zo'n belemmering evident is.
2.3.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd met betrekking tot de feitelijke en privaatrechtelijke belemmering die de muur tussen het perceel en het perceel [locatie 2] vormt, heeft het college in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat hij niet op korte termijn zou kunnen beginnen met de bouw. Van belang is daarbij dat niet is gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering voor het feitelijk gebruik maken van de bouwvergunning. De omstandigheid dat een gedeelte van het bouwwerk boven de strook grond gebouwd zou kunnen worden, waarvan de eigendom niet vast staat, vormt geen belemmering de bouwvergunning uit te voeren. Door de rechtbank is terecht betekenis toegekend aan de omstandigheid dat door [appellant] ten tijde van de intrekking geen privaatrechtelijke procedure was gevoerd met betrekking tot de aanwezigheid van de muur.
Bij uitspraak van heden, in zaak nr. 201001603/1/H1is vast komen te staan dat het college terecht niet handhavend heeft opgetreden met betrekking tot de muur tussen het perceel en het perceel [locatie 2], zodat de door [appellant] bestreden muur mag blijven staan. Het is echter niet gebleken dat het niet mogelijk is de bouwvergunning uit te voeren op een wijze waarbij de muur blijft staan, zodat er evenmin een feitelijke belemmering bestaat om de bouwvergunning uit te voeren.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [appellant] het niet starten met de bouw van de schuur niet kan worden toegerekend.
Gelet op het vorenoverwoge heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid kon besluiten de bouwvergunning in te trekken.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.