Uitspraak
200701417/1) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. De korpsbeheerder heeft in zijn brief van 26 maart 2009 aan de rechtbank gemotiveerd uiteengezet dat de gegevensdragers met daarop de ruwe beelden van de demonstratie niet bij hem aanwezig zijn maar dat hij de gegevensdragers niet heeft vernietigd. Dit komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de korpsbeheerder zich in voldoende mate heeft ingespannen om de beelden bij de politie terug te vinden. Anders dan [appellant] betoogt, rust op de korpsbeheerder niet de verplichting de beelden weer op te vragen bij de betrokken omroepen.
200904273/1/H3), is in de toelichting op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 35), vermeld dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond toepasbaar is wanneer in het kader van inspectie, controle en toezicht, gericht op het vaststellen van niet-strafbare feiten, van steekproefsgewijze systemen gebruik wordt gemaakt. Uit de ruime formulering van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, volgt echter dat deze concretisering niet uitputtend bedoeld kan zijn en dat slechts beoogd is, een voorbeeld van een situatie te geven waarin deze weigeringsgrond kan worden ingeroepen. Dit deel van het betoog faalt derhalve.
200807445/1/H3. Hij voert aan dat al het portofoonverkeer openbaar moet worden gemaakt.