ECLI:NL:RVS:2010:BN6702
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen ongewenstverklaring vreemdeling met strafrechtelijke veroordelingen
De staatssecretaris van Justitie had de vreemdeling op 12 maart 2009 ongewenst verklaard vanwege strafrechtelijke veroordelingen uit 2005 en 2008. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 29 december 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij oordeelde dat alleen de veroordeling uit 2008 in de belangenafweging betrokken mocht worden.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State en betoogde dat de rechtbank ten onrechte het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Omojudi verkeerd had geïnterpreteerd. De Raad van State overwoog dat het arrest van het EHRM niet uitsluit dat eerdere veroordelingen, zoals die uit 2005, bij de belangenafweging betrokken mogen worden, zeker omdat in deze zaak minder dan drie jaar tussen de misdrijven lag.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt dat meerdere strafrechtelijke veroordelingen relevant kunnen zijn bij de beoordeling van een ongewenstverklaring, mits de omstandigheden dit rechtvaardigen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.