ECLI:NL:RVS:2010:BN7296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens overdracht aan Zwitserland conform Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil was of de afwijzing op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht was, omdat overdracht aan Zwitserland plaatsvindt. De vreemdeling stelde dat Zwitserland niet gebonden is aan de Europese richtlijn 2004/83/EG en hem daardoor de subsidiariteitsbescherming wordt onthouden die de richtlijn beoogt.
De Raad van State overwoog dat Zwitserland partij is bij de verdragen genoemd in artikel 30 Vw Pro 2000, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het Hof van Justitie heeft bevestigd dat artikel 3 EVRM Pro ook bescherming biedt in uitzonderlijke situaties zoals bedoeld in artikel 15c van de richtlijn. Daarom is er geen strijd met de richtlijn bij overdracht aan Zwitserland.
De Afdeling bevestigde dat de rechtbank de aanvraag terecht heeft afgewezen en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is terecht afgewezen en het hoger beroep is ongegrond verklaard.