ECLI:NL:RVS:2010:BN7911

Raad van State

Datum uitspraak
22 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200906784/1/M2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.H. van Kreveld
  • M.P.J.M. van Grinsven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen besluit hogere waarde geluidbelasting industrieterrein

In deze zaak gaat het om een beroep ingesteld door [appellant] tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum, thans Venray, waarin een hogere waarde voor geluidbelasting vanwege industrielawaai is vastgesteld. Dit besluit, dat op 21 juli 2009 is genomen, werd ter inzage gelegd op 23 juli 2009. [appellant] heeft op 2 september 2009 beroep ingesteld bij de Raad van State. Het college heeft een verweerschrift ingediend en er is een deskundigenbericht uitgebracht door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening. De zaak is behandeld op zittingen op 26 juli en 13 september 2010.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar overwegingen vastgesteld dat [appellant] zijn zienswijze te laat heeft ingediend. De termijn voor het indienen van zienswijzen, die zes weken bedraagt, eindigde op 6 augustus 2008. [appellant] heeft zijn zienswijze pas op 7 augustus 2008 ingediend, wat buiten de termijn valt. [appellant] betoogde dat hij redelijkerwijs niet verweten kon worden dat hij te laat was, omdat de kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit en andere besluiten in dezelfde publicatie stonden, wat verwarring zou hebben veroorzaakt.

De Afdeling oordeelde echter dat de kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit duidelijk was en dat [appellant] geen aanleiding had om aan te nemen dat de termijn anders liep. De omstandigheid dat het ontwerp van het bestreden besluit ook op 7 augustus 2008 ter inzage heeft gelegen, leidde niet tot een ander oordeel. Aangezien er geen omstandigheden zijn die het niet tijdig indienen van de zienswijze rechtvaardigen, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

200906784/1/M2.
Datum uitspraak: 22 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant sub A] en [appellante sub B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Meerlo-Wanssum, thans: Venray,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2009 heeft het college een hogere waarde als bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld voor de geluidbelasting vanwege industrielawaai van de woning aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 juli 2009 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 september 2009, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant] heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hendriks, werkzaam bij de gemeente Venray, zijn verschenen.
Na de zitting hebben [appellant] en het college nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 13 september 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Hendriks, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.
Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken. Ingevolge het tweede lid vangt deze termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
Onder het niet naar voren brengen van zienswijzen als bedoeld in artikel 6:13 van de Awb moet mede worden verstaan: het buiten de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bedoelde termijn naar voren brengen van zienswijzen.
2.2. Het ontwerp van het bestreden besluit is op 26 juni 2008 ter inzage gelegd. Gelet op artikel 3:16, eerste en tweede lid, van de Awb is de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen geëindigd op 6 augustus 2008. [appellant] heeft zijn zienswijze op 7 augustus 2008 per aangetekende post verzonden aan de gemeente Meerlo-Wanssum, waar deze op 8 augustus 2008 is ingekomen. De zienswijze is derhalve buiten de daarvoor geldende termijn naar voren gebracht.
2.3. [appellant] betoogt dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij zijn zienswijze niet binnen de daarvoor geldende termijn heeft ingediend. Hij wijst er op dat het bestreden besluit samenhangt met een nieuw bestemmingsplan voor het betrokken industrieterrein en een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer voor een inrichting op dit industrieterrein en dat de voorbereidingsprocedures van deze besluiten vanwege de samenhang parallel hebben gelopen. Openbare kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit, het ontwerp van het bestemmingsplan en het maatwerkvoorschriftenbesluit heeft plaatsgevonden in dezelfde publicatie van 25 juni 2008. In de kennisgeving van het maatwerkvoorschriftenbesluit, die in deze publicatie direct onder de kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit is opgenomen, is vermeld dat het maatwerkvoorschriftenbesluit met ingang van 26 juni 2008 tot en met 7 augustus 2008 ter inzage ligt. Volgens [appellant] is hierdoor de indruk gewekt dat ook de termijn voor het indienen van zienswijzen over het ontwerp van het bestreden besluit tot en met 7 augustus 2008 liep. Hier komt volgens hem bij dat het ontwerp van het bestreden besluit, het ontwerp van het bestemmingsplan en het maatwerkvoorschriftenbesluit feitelijk ook tot en met 7 augustus 2008 ter inzage hebben gelegen. [appellant] voert verder aan dat het college er bij de besluitvorming van is uitgegaan dat zijn zienswijze tijdig is ingediend.
2.4. Dat het college er bij de besluitvorming van is uitgegaan dat de zienswijze tijdig is ingediend, doet niet ter zake, aangezien de Afdeling verplicht is ambtshalve te beoordelen of artikel 6:13 van de Awb van toepassing is.
2.5. In de publicatie van 25 juni 2008 is in de kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit vermeld dat het ontwerp en de daarbij behorende stukken met ingang van de dag na deze publicatie gedurende zes weken ter inzage liggen en dat gedurende deze termijn zienswijzen over het ontwerp kenbaar gemaakt kunnen worden. Hieruit kon [appellant] afleiden dat donderdag 26 juni 2008 de eerste dag was van de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en woensdag 6 augustus 2008 de laatste. Deze kennisgeving is niet onduidelijk. Reeds daarom was er voor [appellant] geen aanleiding van een andere kennisgeving, te weten die van het maatwerkvoorschriftenbesluit, uit te gaan. Het beroep van [appellant] op laatstbedoelde, andere, kennisgeving kan dan ook niet tot het oordeel leiden dat het niet tijdig indienen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten.
De omstandigheid dat het ontwerp van het bestreden besluit ook op 7 augustus 2008 nog ter inzage heeft gelegen kan evenmin tot dit oordeel leiden.
Nu ook anderszins niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het niet tijdig naar voren brengen van een zienswijze [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010
462.