Het college van burgemeester en wethouders van Cuijk weigerde op 4 september 2007 de bouwvergunning voor een bedrijfswoning op het perceel van appellant. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de weigering gehandhaafd. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het loonbedrijf van appellant niet als zelfstandig en volwaardig bedrijf kan worden aangemerkt, maar samen met dat van zijn ouders als één bedrijf moet worden beschouwd. Dit oordeel was gebaseerd op een rapport van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, dat niet is weersproken.
Het college heeft in redelijkheid besloten geen vrijstelling te verlenen voor een tweede bedrijfswoning, mede omdat toezicht op beide bedrijven vanuit de bestaande bedrijfswoning mogelijk is. De Raad van State vernietigde het besluit van 22 januari 2008 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en het hoger beroep gegrond, maar wees het beroep tegen het besluit van 6 juli 2010 af. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en het beroep van appellant gegrond verklaard.
Uitspraak
200907067/1/H1.
Datum uitspraak: 22 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Cuijk,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juli 2009
in zaak nr. 08/819 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Cuijk.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cuijk (hierna: het college) geweigerd [appellant] vrijstelling en bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel kadastraal bekend gemeente Cuijk, sectie [.], nummer [….] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juli 2009, verzonden op 4 augustus 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 oktober 2009.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2010, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.W. de Greef, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Bij tussenuitspraak van 21 april 2010, nr. 200907067/1/T1/H1, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze uitspraak:
- nader onderzoek te verrichten of te laten verrichten naar de vraag of het bedrijf van [appellant] thans als een zelfstandig en volwaardig bedrijf moet worden aangemerkt, dan wel tezamen met het bedrijf van zijn ouders als één bedrijf moet worden aangemerkt;
- na te gaan of, indien het bedrijf van [appellant] als een zelfstandig en volwaardig bedrijf dient te worden aangemerkt, het bouwplan in strijd is met andere bestemmingsplanvoorschriften, en zo ja of het bereid is daarvan vrijstelling te verlenen, waarbij ervan moet worden uitgegaan dat artikel 13 vanPro de planvoorschriften zich niet tegen het bouwplan verzet;
- na te gaan of, indien het bedrijf van [appellant] en dat van zijn ouders als één bedrijf moeten worden aangemerkt, het bereid is vrijstelling te verlenen voor een tweede bedrijfswoning bij hetzelfde bedrijf;
- de Afdeling mee te delen wat de uitkomsten van het nader onderzoek zijn en tot welk nader besluit het college naar aanleiding van die uitkomsten is gekomen. Deze uitspraak is aangehecht.
Bij besluit van 6 juli 2010, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2010, heeft het college het besluit van 22 januari 2008 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.
Bij brief van 21 juli 2010 is [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het besluit van het college van 6 juli 2010 naar voren te brengen. Door [appellant] zijn bij brief van 16 augustus 2010 zienswijzen met bijlagen naar voren gebracht.
Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit van 22 januari 2008 in strijd is met artikel 3:2 enPro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe wordt verwezen naar de tussenuitspraak.
Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 6 juli 2010 opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het hoger beroep van [appellant] wordt geacht mede een beroep tegen dat besluit in te houden.
2.2. [appellant] heeft op 1 oktober 2004 het op het perceel gevestigde [loonwerkbedrijf] van zijn ouders verlaten en is op die datum een eigen loonwerkbedrijf op het perceel begonnen. [appellant] woont samen met zijn gezin en zijn ouders in de bedrijfswoning die bij het [loonwerkbedrijf] behoort. De aanvraag om bouwvergunning ziet op de bouw van een bedrijfswoning bij het bedrijf van [appellant] ten behoeve van zijn gezin.
2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Cuijk 1998" rust op het perceel de bestemming "Agrarische Hulpbedrijven (AH)".
Ingevolge artikel 13, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor bijgebouwen.
Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan.
2.4. Volgens het besluit van het college van 6 juli 2010 kan het loonbedrijf van [appellant] niet als een zelfstandig en volwaardig bedrijf worden aangemerkt, maar moet het samen met het loonbedrijf van zijn ouders, gezien de onderlinge verwevenheid van beide bedrijven, als één loonbedrijf worden beschouwd.
Het college heeft aan dat standpunt het rapport van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 1 juni 2010 ten grondslag gelegd. Het AAB-rapport is gebaseerd op de bevindingen van een bedrijfsbezoek en de beoordeling van de boekhouding van beide bedrijven.
2.5. [appellant] heeft ten aanzien van de conclusies van het AAB-rapport geen tegenrapport overgelegd. Evenmin is gebleken dat het rapport van 1 juni 2010 naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont. In dat rapport is deugdelijk gemotiveerd waarom het bedrijf van [appellant] en dat van zijn ouders als één bedrijf moeten worden aangemerkt. De brief van [appellant] van 16 augustus 2010 biedt geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.
2.6. Voorts heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de AAB tevens tot de conclusie is gekomen dat het toezicht op het bedrijf van [appellant] en dat van zijn ouders kan plaatsvinden vanuit de bedrijfswoning die bij het [loonwerkbedrijf] behoort, zodat voor een tweede bedrijfswoning geen noodzaak bestaat.
2.7. Gezien het vorenstaande zijn het beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 en het hoger beroep gegrond. Dat besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 6 juli 2010 is ongegrond, omdat geen grond is voor het oordeel dat het in strijd is met artikel 3:2 enPro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 juli 2009 in zaak nr. 08/819;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cuijk van 22 januari 2008.
V. verklaart het beroep tegen zijn besluit van 6 juli 2010 ongegrond;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cuijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Cuijk aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 373,00 (zegge: driehonderddrieënzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van staat.