Art. 1 planvoorschriften bestemmingsplan Landelijk Gebied 1972Art. 8 eerste lid planvoorschriften bestemmingsplan Landelijk Gebied 1972Art. 30 Wet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning uitbreiding melkveestal wegens strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van De Bilt verleende op 26 mei 2008 een bouwvergunning voor de eerste fase van de uitbreiding van een melkveestal op een perceel in De Bilt. Na bezwaar van omwonenden verklaarde het college dit bezwaar ongegrond, maar de rechtbank Utrecht vernietigde dit besluit en beval een nieuw besluit.
Het college weigerde vervolgens de bouwvergunning op grond van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1972" en het latere bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001" inclusief reparatieplan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de bedrijfsvoering van de onderneming voor 49% uit een kalverenmesterij bestaat, die niet als grondgebonden wordt aangemerkt, en dat dit aandeel niet als 'in beperkte mate' kan worden beschouwd. Hierdoor voldoet de bedrijfsvoering niet aan de definitie van een agrarisch bedrijf zoals bedoeld in het bestemmingsplan.
Verder werd geoordeeld dat het bouwplan terecht werd getoetst aan het op het moment van het besluit geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001" en dat het college terecht heeft vastgesteld dat het bouwplan in strijd is met dit bestemmingsplan. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de bouwvergunning voor de uitbreiding van de melkveestal wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
201001033/1/H1.
Datum uitspraak: 22 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente De Bilt
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 december 2009 in de zaken nrs. 08/2524 en 09/1990 in het geding tussen:
[verzoekers rechtbank], beiden wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt
(hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het college aan [appellant] bouwvergunning eerste fase verleend voor het vergroten van de op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente De Bilt, (hierna: het perceel) aanwezige melkveestal.
Bij besluit van 2 juni 2009 heeft het het door [verzoekers rechtbank] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 december 2009, verzonden op 18 december 2009, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [verzoekers rechtbank] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 februari 2010.
[verzoekers rechtbank] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het college, opnieuw op het door [verzoekers rechtbank] gemaakte bezwaar beslissend, de bezwaren gegrond verklaard en bouwvergunning geweigerd.
Op dit besluit heeft [appellant] bij brief met bijlagen van 21 juli 2010 gereageerd.
[verzoekers rechtbank] hebben nog nadere stukken, gedateerd 20 en 21 juli 2010, ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. ing. T. Steenbeek, is verschenen.
Voorts zijn daar [verzoekers rechtbank], vertegenwoordigd door mr. S. Land, gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1972, 2e herziening" rust op het perceel de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden Aa".
Ingevolge artikel 1, onder n, van de planvoorschriften wordt in het bestemmingsplan onder agrarische bedrijven verstaan: bedrijven gericht op ooft-, tuin- of akkerbouw, alsmede veehouderij en weidebedrijven, mits de exploitatie van deze bedrijven grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige gronden.
Ingevolge dat artikel, onder o, wordt onder veredelingsbedrijven verstaan: fokkerijen, mesterijen, pluimveehouderijen, champignonkwekerijen, voor zover deze bedrijven geheel of hoofdzakelijk niet afhankelijk zijn van de opbrengst van de bij het bedrijf behorende gronden.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, zijn de op de kaart voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken, uitgezonderd kassen.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de uitbreiding van de melkveestal wordt opgericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften.
2.2.1. Hij voert daartoe in de eerste plaats aan dat bij de beoordeling of aan dat voorschrift wordt voldaan, niet de gehele onderneming dient te worden betrokken, maar slechts de aard en het beoogde gebruik van het deel waarvoor bouwvergunning is aangevraagd. Omdat dat is gebeurd voor uitbreiding van de melkveestal, waarvan de exploitatie naar haar aard grondgebonden is, is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan, aldus [appellant].
2.2.1.1. Voor de vraag of het op te richten gebouw in strijd is met de bestemming "Bebouwing voor agrarische doeleinden Aa", als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften, is het gebruik van dat gebouw in zijn samenhang met de gehele onderneming van belang. Daarbij is de aard van die onderneming leidend, nu in artikel 8, eerste lid, is bepaald dat de desbetreffende gronden bestemd zijn voor bouwwerken die nodig zijn voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse.
De rechtbank heeft dan ook terecht voor de beoordeling of een agrarisch bedrijf, als bedoeld in artikel 1, onder n, van de planvoorschriften wordt uitgeoefend, de bedrijfsvoering als geheel in aanmerking genomen en het houden van mestkalveren niet buiten de beoordeling gelaten, nu dat onderdeel is van de bedrijfsvoering.
2.2.2. [appellant] voert in dit verband voorts aan dat de onderneming als geheel een agrarisch bedrijf in evenbedoelde zin is, omdat de bedrijfsvoering - zoals blijkt uit het door Agra-matic Bouw en milieuadvies opgestelde rapport van 27 februari 2009 - voor het grootste deel grondgebonden is.
2.2.2.1. Volgens dat rapport, dat uitgaat van de situatie na realisering van het bouwplan, omvat de melkveehouderij ruim 51% van de bedrijfsvoering. De conclusie van het rapport is dat het al jaren in hoofdzaak om een grondgebonden veehouderij gaat.
In de tussen partijen op 9 juli 2003 in zaak nr. 200204343/1gedane uitspraak, heeft de Afdeling overwogen dat het houden van mestkalveren geen bedrijfsvoering is die aan de begripsomschrijving van een agrarisch bedrijf met in hoofdzaak een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, als bedoeld in artikel 1, onder n, van de planvoorschriften, voldoet.
De rechtbank heeft voor de vraag of de bedrijfsvoering, die voor 51% uit een melkveehouderij bestaat, aan die bepaling voldoet, terecht aansluiting gezocht bij de artikelsgewijze toelichting op de planvoorschriften, nu de betekenis van de term "grotendeels" in de voorschriften niet nader is omschreven. De toelichting op artikel 1 vermeldtPro het volgende:
"De nieuwe definitie van "agrarische bedrijven" beoogt het mogelijk te maken dat als onderdeel van het agrarisch bedrijf in beperkte mate veredeling plaatsvindt. Daartoe is in de begripsbepaling het woordje "grotendeels" opgenomen. Hierdoor wordt verwoord dat, om te kunnen spreken van een agrarisch bedrijf, het niet noodzakelijk is, dat de exploitatie van het bedrijf voor de volle 100% afhankelijk is van de opbrengst van de bij dit bedrijf behorende grond."
Uit deze toelichting valt af te leiden dat bedoeld is dat niet-grondgebonden activiteiten slechts in beperkte mate zijn toegelaten. De onderneming die [appellant] ter plekke drijft bestaat voor 49% uit een kalverenmesterij en is daarmee geen agrarisch bedrijf in de zin van artikel 1, onder n, van de planvoorschriften, nu 49% niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten niet kan worden aangemerkt als in beperkte mate.
Dat, zoals [appellant] stelt, de melkveehouderij op termijn een steeds groter percentage van zijn bedrijfsvoering zal uitmaken, doet hier niet aan af, omdat voor de beoordeling of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan dient te worden uitgegaan van de bedrijfsvoering die met de realisering van het bouwplan mogelijk wordt gemaakt.
De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college, door onder "grotendeels" 51% te verstaan, geen juiste uitleg heeft gegeven aan de term agrarische bedrijven in artikel 1, onder n, en artikel 8 vanPro de planvoorschriften.
2.3. Het betoog faalt. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Aan het besluit van 14 juli 2010 heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwplan, gelet op de verhouding 49% - 51%, in strijd is met zowel het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1972", als het inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001", inclusief het krachtens artikel 30 WROPro vastgestelde reparatieplan, waarin is bepaald dat een intensieve veehouderij als neventak is toegestaan, waarbij geldt dat dit gedeelte maximaal 1250 m² mag beslaan. Hieraan wordt volgens hem niet voldaan.
Voorts is het niet bereid mee te werken aan ontheffing daarvan, nu daarvoor geen goede ruimtelijke onderbouwing is te geven en bij het aanvragen van een nieuwe vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor het bedrijf de strijdigheid met het bestemmingsplan een weigeringsgrond oplevert, zodat deze vergunning niet verleend zal mogen worden.
Aangezien aldus niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep geacht mede beroep tegen dit besluit in te houden.
2.5. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte de mestveestalling bij de beoordeling van het bouwplan heeft betrokken. Verder heeft het het bouwplan ten onrechte aan het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001", inclusief het reparatieplan getoetst, omdat volgens de uitspraak van de rechtbank het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1972" van toepassing is. Het bouwplan had aan dat bestemmingsplan getoetst moeten worden, nu het latere planologische regime nadeliger is voor het bouwplan, aldus [appellant].
2.5.1. Dat het betoog van [appellant] dat het college bij de beoordeling van het bouwplan ten onrechte de bedrijfsvoering als geheel heeft betrokken faalt, volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.2.1.1 is overwogen.
2.5.2. Het aangevoerde geeft voorts evenmin aanleiding om [appellant] te volgen in het betoog dat het college het bouwplan ten onrechte aan het ten tijde van het nemen van het besluit van 14 juli 2010 voor het perceel geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001", inclusief het reparatieplan ingevolge artikel 30 WROPro, heeft getoetst. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 maart 2005 in zaak nr. 200406332/1), dient bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht te worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag het ten tijde van een aanvraag om bouwvergunning nog wel, maar ten tijde van het besluit daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging daarvan in bezwaar, niet meer geldende bestemmingsplan worden toegepast, indien het desbetreffende bouwplan ten tijde van de aanvraag in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was, dan wel een ontwerp voor een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.
Het betoog van [appellant] dat het college het bouwplan bij het besluit van 14 juli 2010 ten onrechte niet aan het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1972" heeft getoetst, slaagt niet, nu zoals hiervoor onder 2.2.2.1 is overwogen, het bouwplan niet met dat bestemmingsplan in overeenstemming is en de bedoelde uitzondering zich niet voordoet.
2.6. [appellant] betoogt verder dat het college er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het bouwplan in overeenstemming is met het ten tijde van de aanvraag op 25 februari 2008 geldende bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001". In dit bestemmingsplan zijn aan het perceel de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "intensieve veehouderij" toegekend. Bij de uitspraak van 27 augustus 2003 in zaak nrs. 200103396/1 en 200105173/1heeft de Afdeling volgens hem niet aan de bestemming van het betrokken perceel goedkeuring onthouden. Het bouwplan valt dan ook onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001", aldus [appellant].
2.6.1. Bij de uitspraak van 27 augustus 2003 heeft de Afdeling geoordeeld over tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001" ingesteld beroep. In dit bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Open weidegebied", met de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "intensieve veehouderij" toegekend. Anders dan [appellant] stelt, heeft de Afdeling daarbij aan de bestemming "Open weidegebied" in haar geheel goedkeuring onthouden. Dat betreft derhalve ook de nadere aanduidingen binnen die bestemming. Het college heeft zich in zijn besluit van 14 juli 2010 dan ook terecht, onder verwijzing naar die uitspraak, op het standpunt gesteld dat het bedrijf in het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2001" ten onrechte de aanduiding "intensieve veehouderij" heeft gekregen. Het betoog van [appellant], waarin hij stelt dat het overgangsrecht van toepassing is, treft daarom geen doel.
2.7. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat het college er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat hij inmiddels een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer voor een geheel grondgebonden bedrijf, slaagt dit betoog evenmin, reeds omdat zodanige vergunning ten tijde van het besluit van 14 juli 2010 niet was verleend.
2.8. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep tegen het besluit van 14 juli 2010 ongegrond is.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I bevestigt de aangevallen uitspraak;
II verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 14 juli 2010, kenmerk 16887, ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.