201003425/1/H3.
Datum uitspraak: 29 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 februari 2010 in zaak nr. 09/3341 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een ligplaatsvergunning voor het woonschip "Schildpad" afgewezen.
Bij besluit van 8 april 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2010, verzonden op 24 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 6 mei 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 september 2010, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Wassenburg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Vaststaat dat het door [appellant] ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 9 januari 2009 buiten de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn van zes weken is ingediend. [appellant] kon tot en met 20 februari 2009 een bezwaarschrift indienen en zijn bezwaarschrift dateert van 27 februari 2009.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Gedurende de maanden januari en februari 2009 was hij immers dermate ziek dat hij niet in staat is geweest bezwaar te maken tegen het besluit van 9 januari 2009. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de door hem overgelegde verklaring van zijn huisarts, waarin deze meldt dat [appellant] in de maanden januari tot en met maart 2009 een aantal keren op zijn spreekuur is geweest, onvoldoende is om te concluderen dat hij niet in verzuim is geweest. Daarnaast is de afwezigheid van verdere objectieve medische gegevens aan het college te wijten, omdat het niet heeft voldaan aan het verzoek van de huisarts om medische gegevens door de geneeskundig adviseur van het college op te laten vragen, aldus [appellant].
2.2.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de door [appellant] overgelegde verklaring van zijn huisarts dat [appellant] een aantal keren op zijn spreekuur is geweest redelijkerwijs niet kan leiden tot het oordeel dat hij niet in verzuim is geweest. Tevens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat voorts niet is gebleken van objectiveerbare medische gegevens waaruit blijkt dat de ziekte in de weg heeft gestaan aan het tijdig maken van bezwaar. De uitleg van [appellant] ter zitting dat hij ten tijde van de bezwaartermijn een ontsteking aan zijn ogen had en dat hij daarvoor enige keren bij de huisarts is geweest en in een later stadium bij een andere medisch specialist, maakt dit niet anders. Het betoog van [appellant] dat de geneeskundig adviseur van het college verdere objectieve medische gegevens had moeten opvragen treft geen doel. Bij de beantwoording van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is, ligt het op de weg van [appellant] om omstandigheden aannemelijk te maken die die termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen. Zo had hij zelf medische gegevens bij zijn huisarts kunnen opvragen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn gestelde ziekte niet in staat is geweest om tijdig, zo nodig onder voorbehoud van een nadere motivering, bezwaar te maken dan wel zijn belangen in rechte door iemand te laten behartigen.
De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Van der Smissen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2010