AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen bouwvergunning voor garage-uitbreiding
Het college verleende op 5 oktober 2009 een ontheffing en bouwvergunning voor het vergroten van een dubbele garage op een perceel te [plaats]. [Appellant] stelde beroep in tegen dit besluit, maar de voorzieningenrechter verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat geen zienswijze was ingediend tijdens de voorbereidingsfase.
[Appellant] voerde aan dat het besluit niet volgens de uniforme openbare voorbereidingsprocedure was voorbereid, met name dat de kennisgeving van terinzagelegging te laat was gepubliceerd. De Raad van State oordeelde dat dit niet tot een ander oordeel leidt omdat de termijn van zes weken terinzagelegging was gehandhaafd en [appellant] voldoende gelegenheid had om een zienswijze in te dienen, ook na terugkomst van vakantie.
Daarom kon [appellant] het beroep niet ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 6:13 AwbPro. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen de bouwvergunning wordt bevestigd.
Uitspraak
201001179/1/H1.
Datum uitspraak: 29 september 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 december 2009 in zaak nrs. 09/5240 en 09/5241 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het vergroten van een dubbele garage op het perceel aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 22 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 augustus 2010, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.S.J.G. Verschuuren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4.
Ingevolge artikel 6:13, voor zover thans van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 naarPro voren heeft gebracht.
Ingevolge artikel 3:15, het eerste lid, kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het onderwerp naar voren brengen.
Ingevolge artikel 3:16, het eerste lid, voor zover thans van belang, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.
Ingevolge artikel 3:16, het tweede lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.
Ingevolge artikel 3:11, het eerste lid, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.
Ingevolge artikel 3:11, het vierde lid, liggen de stukken ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn.
Ingevolge artikel 3:12, het eerste lid, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het onderwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.
2.2. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [appellant] voert daartoe aan dat het besluit van 5 oktober 2009 niet kan worden geacht te zijn voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, omdat er bij de voorbereiding van dat besluit is gehandeld in strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. Indien het besluit van 5 oktober 2009 wel moet worden geacht te zijn voorbereid met voornoemde procedure, betoogt [appellant] voorts dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ten aanzien van het ontwerpbesluit geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 vanPro de Awb naar voren heeft gebracht.
2.2.1. Het betoog faalt. Het college heeft het besluit van 5 oktober 2009 om ontheffing te verlenen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, voorbereid met toepassing van afdeling 3.4. van de Awb. De enkele omstandigheid dat het ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken met ingang van 13 augustus 2009 zes weken ter inzage zijn gelegd, maar dat de openbare kennisgeving van die terinzagelegging in strijd met artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, eerst op 19 augustus 2009 in het huis-aan-huisblad "Midden-Brabant" heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel.
Niet is in geschil dat [appellant] geen zienswijze heeft ingediend. Niet valt in te zien dat [appellant] niet de mogelijkheid heeft gehad dat te doen. Er is geen grond voor het oordeel dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ten aanzien van het ontwerpbesluit in het geheel geen zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 vanPro de Awb naar voren heeft gebracht. Daarbij is van belang dat [appellant] zich op de hoogte had kunnen (laten) stellen van de kennisgeving in het huis-aan-huisblad. Dat [appellant], naar hij stelt, van 19 augustus tot 6 september 2009, en derhalve op de dag van de kennisgeving, met vakantie was in het buitenland, maakt dat niet anders, reeds omdat [appellant] na terugkomst van vakantie alsnog tot en met 23 september 2009 de tijd had om een zienswijze bij het college in te dienen.
Het vorenstaande in aanmerking genomen stond voor [appellant] ingevolge artikel 6:13 vanPro de Awb niet de mogelijkheid open om tegen het besluit van 5 oktober 2009 beroep in te stellen bij de bestuursrechter.
De voorzieningenrechter heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 5 oktober 2009 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet daarop bestond er voor de voorzieningenrechter geen grond de beroepsgrond van [appellant], dat het besluit van 5 oktober 2009 wegens schending van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt, inhoudelijk te beoordelen. Het betoog van [appellant] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 5 oktober 2009 wegens schending van artikel 3:12, eerste lid, van de Awb vernietigd moet worden, slaagt daarom niet.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.