De minister heeft op 6 februari 2009 de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aan appellant geweigerd. Appellant maakte bezwaar, dat op 28 mei 2009 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten op 3 maart 2010 ongegrond. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Tijdens de zitting op 30 augustus 2010 bleek dat appellant haar stage had afgerond, haar opleiding had voltooid en geen VOG meer nodig had voor de functie waarvoor zij de VOG aanvroeg. Appellant stelde dat het hoger beroep van belang was voor het beleid rond VOG-aanvragen en toekomstige aanvragen in het kader van een nieuwe opleiding.
De Raad van State oordeelde dat appellant geen actueel en reëel belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat een afgegeven VOG slechts voor een specifieke functie geldt en bij een nieuwe aanvraag opnieuw wordt beoordeeld. Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.