Uitspraak
200103396/1 en 200105173/1, en van 28 september 2005, in zaak nr.
200405903/1, en het goedkeuringsbesluit van 30 januari 2007. Voorts zijn enkele aanpassingen ten opzichte van het bestemmingsplan doorgevoerd.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft op 7 juli 2009 het besluit genomen tot goedkeuring van de herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk". Tegen dit besluit hebben drie appellanten beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Appellant 1 betoogde onder meer dat de begripsbepaling van "agrarisch bedrijf" onvoldoende rekening houdt met eerdere uitspraken van de Afdeling en dat de agrarische bouwvlakken onterecht in de breedte kunnen worden uitgebreid. De Afdeling oordeelde dat de toevoeging "reëel en volwaardig" aan de begripsbepaling tegemoetkomt aan eerdere kritiek en dat de planregeling voldoende waarborgen biedt voor landschappelijk verantwoorde bebouwing.
Appellant 2 stelde dat het college ten onrechte goedkeuring had verleend aan een plandeel met bestemming "Zoddengebied A" met opslagmogelijkheden, terwijl hij een bedrijfsbestemming wilde voor opslag en landbouwmechanisatiebedrijf. De Afdeling vond dat het college zich terecht op het standpunt stelde dat toekenning van een bedrijfsbestemming nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf zou betekenen en dat het gemeentelijke beleid dit niet toestaat.
Appellant 3 voerde aan dat zijn gronden onterecht in twee strijdige plannen waren betrokken, maar de Afdeling oordeelde dat het landinrichtingsplan en het bestemmingsplan verschillende doelen dienen en geen strijd opleveren. De beroepen zijn ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de goedkeuring van de herziening van het bestemmingsplan zijn ongegrond verklaard.