ECLI:NL:RVS:2010:BN9222
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij verblijfsvergunning
De vreemdelingen hadden hoger beroep ingesteld tegen de weigering van een zelfstandige verblijfsvergunning. Echter, zij waren reeds in het bezit van reguliere verblijfsvergunningen onder de beperkingen 'verblijf bij echtgenote' en 'verblijf bij ouders', geldig tot 15 juni 2013. Hierdoor was het doel van het hoger beroep feitelijk bereikt.
De vreemdelingen stelden dat hun verleende vergunningen afhankelijk zijn van het voortbestaan van het gezinsleven, terwijl de geweigerde vergunning een zelfstandige verblijfstitel betreft. De Raad oordeelde dat de mogelijke beëindiging van de huwelijksrelatie een onzekere toekomstige gebeurtenis is die geen procesbelang oplevert.
Ook het argument dat een zelfstandige vergunning zou leiden tot een snellere naturalisatie werd verworpen, omdat het belang bij een mogelijk langer wachten op naturalisatie niet tot doorprocederen mag leiden zolang de huidige vergunning geldig is.
De Raad concludeerde daarom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van procesbelang en wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat de vreemdelingen reeds een geldige verblijfsvergunning hebben.