ECLI:NL:RVS:2010:BO2081
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens situatie Hazara in Ghazni Afghanistan
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor een vreemdeling uit de provincie Ghazni in Afghanistan vernietigde. De vreemdeling, van Hazara-afkomst, stelde dat hij vanwege discriminatie en vervolging in zijn regio bescherming behoefde op grond van artikel 3 EVRM Pro en artikel 15 van Pro de richtlijn 2004/83/EG.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de ambtsberichten geen aanwijzingen bevatten dat de mate van willekeurig geweld in Ghazni ten tijde van het besluit van 7 september 2007 zodanig was dat een reëel risico op ernstige schade bestond voor burgers louter door hun aanwezigheid daar. Hoewel de situatie van de Hazara's zorgelijk is, is er geen sprake van systematische blootstelling aan onmenselijke behandeling die een geslaagd beroep op artikel 3 EVRM Pro rechtvaardigt.
De Afdeling vernietigde het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter en het besluit van de staatssecretaris, maar bepaalde met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak sluit aan bij jurisprudentie van het EHRM en eerdere uitspraken van de Afdeling over de situatie in Afghanistan.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.