Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2010:BO2704

Raad van State

Datum uitspraak
3 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201002856/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vrijstelling voor tweede bedrijfswoning op perceel

Het college van burgemeester en wethouders van Berkelland weigerde op 8 december 2005 een vrijstelling voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op een perceel in [plaats]. Na een ongegrond verklaard bezwaar en beroep bij de rechtbank Zutphen, stelde de appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

De appellant voerde aan dat het college een concreet toezegging had gedaan waarop zij gerechtvaardigd vertrouwen kon baseren voor het verkrijgen van de vrijstelling en bouwvergunning. De Raad van State oordeelde echter dat geen concrete toezeggingen waren gedaan door een bevoegd persoon namens het college en dat de eerdere bereidheid van het college en gedeputeerde staten Gelderland voor andere bouwplannen geen rechtvaardiging bood voor het vertrouwen in de vrijstelling van de tweede bedrijfswoning.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank Zutphen en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 3 november 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vrijstelling voor de tweede bedrijfswoning wordt bevestigd.

Uitspraak

201002856/1/H1.
Datum uitspraak: 3 november 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2010 in zaak nr. 09/534 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2005 heeft het college geweigerd vrijstelling te verlenen voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 26 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 maart 2010, verzonden op diezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 maart 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 april 2010.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellante] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel zou verlenen.
2.1.1. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat haar een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Niet is gebleken dat haar door of namens het college een concrete toezegging is gedaan dat de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning voor het oprichten van een tweede bedrijfswoning op het perceel verleend zouden worden. Aan de aanvankelijke bereidheid van het college, alsmede van het college van gedeputeerde staten van Gelderland, om medewerking te verlenen aan het voeren van een vrijstellingsprocedure voor de bouw van een houtdroogloods en de uitbreiding van de houtzagerij op het perceel, heeft [appellante] niet een gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat tevens zou worden meegewerkt aan haar plan voor de bouw van een tweede bedrijfswoning. De omstandigheid dat [appellante] kosten heeft moeten maken wegens het door het college gevolgde traject leidt, wat hier verder ook van zij, niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.
2.2. Voor zover [appellante] in algemene zin verwijst naar de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden, is dat tevergeefs. De rechtbank is in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan op deze gronden. Door [appellante] worden in het hoger beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van Staat.
w.g. Bijloos w.g. Montagne
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010
374-627.